‘Theater van taal’; Jacob Groot

(Herplaatst)

Theater van taal

(jan.2011)

Jacob Groot (Venhuizen, 1947) debuteerde onder het pseudoniem Jacob der Meistersänger met
Net Als Vroeger (1970). Hij schreef tot nu toe twaalf bundels met poëzie.
Proza : Nieuwe Muziek, een Herman Gorter-boek (1980); essays over popmuziek
Gelukkige Lippen (2004). De roman Billy Doper (2008) werd ‘een stilistische exercitie in een mix van genres over de onzuiverheid van de liefde en de tucht van het genot’ genoemd.

Jacob Groot was van 1994 tot 1999 redacteur van De Revisor. Hij woont en werkt in Amsterdam.

=

Je hebt destijds een mooie vertaling gemaakt van Powys’ ‘Wolf Solent’. Ik las onlangs dat Solent een zeestraat is bij het eiland Wight. De titel associeerde ik met ‘einzelgänger’.

JG: Dat is hij ook, het is een echte Powys-figuur. Solent is gebiologeerd door wat hij zijn ‘mythologie’, een soort persoonlijk verbond met de natuur waar uiteindelijk alles voor moet wijken. Ik voelde me daar toen nogal toe aangetrokken.

Je studeerde Nederlands?

Ooit een paar jaar. Want ik debuteerde spraakmakend als Jacob der Meistersänger, en dan zat ik in het poëzieklasje van Willem Wilmink. Dat vond ik niet zo goed samengaan. Dankzij dat pseudoniem wist trouwens niemand in dat klasje dat ik het was. Bovendien was ik al de journalistiek ingedoken, de lonkende wereld van De Haagse Post.

Heb je ook Engels gedaan? Powys is niet eenvoudig te vertalen.

Nee, zo moeilijk was dat niet. Maar het is een enorme pil, en het was een heidens karwei dat een jaar in beslag nam.  Ik had het zonder mijn fascinatie voor die Solent niet gered.

En heb je iets met wiskunde? Ik vraag het omdat je het in een gedicht hebt over’ transfiniet’ en ‘kardinaal’.

Die mooie woorden kun je toch gewoon opzoeken? Ik heb trouwens wel HBS-B gedaan. En ik heb nog steeds veel op met de analytische filosofie, hoewel dat hier niks mee te maken heeft. Wat hier wel mee te maken heeft, is dat ik niet meer zo geloof in een kloof tussen die superieure ene en die andere traditie, die geloof ik speculatief wordt genoemd. Of continentaal. Of weet ik wat. Dat verschrikkelijke gezever van zeloten als Kousbroek en Van Heerden terwijl hun God Wittgenstein allang beter wist. Beide zuilen vullen elkaar aan, raar maar waar, wisten ze dat maar. Ik weet niet precies waarom ik dit zeg, maar het lijkt op de een of andere manier van belang.

De denker en de dromer. Je schreef: ‘De Droom van Het Denken’.

Ja, ooit. Mooie titel, vind ik nog steeds. Het lijkt of ze elkaar uitsluiten. Maar het idee is ook dat het ware denken altijd iets droomachtigs behoudt. Bovendien duidt de titel op de mogelijkheid van hun combinatie en wie weet had ik die voor ogen.

Laten we het om te beginnen even hebben over de omslag van je nieuwe bundel Divina Noir.

Wat wil je ervan weten? Zelf zie ik vooral het psychedelische effect. Dat moest van de held van mijn verhaal. Maar er is ook een rare meetkundige kracht in het geding, iets Esscheriaans. Een schijnbare omkering, toch geen spiegeling.

Van duister naar duister. Tussen twee duisters is het even licht geweest. Was dat Bloem?

Was dat niet tussen twee stiltes even luid? Maar goed, nee, in de taal van deze bundel is het duister juist licht, en omgekeerd, dat hoop ik tenminste.
De omslag bestond eerst uit het afzonderlijke tafereeltje:  wolken, kleuren, maan, en het figuurtje, ja precies, de eenzame Wolf Solent  of de lonely teenager bij wijze van spreken. Gevonden op internet. Maar dat was te enkelvoudig, te ondubbelzinnig.  De bundel begint met de regel ‘Er is geen enkele behoefte aan spiegeling.’ Ik kan die regel natuurlijk niet aan mijn laars lappen door op de cover meteen te gaan spiegelen. De spiegel mocht dus niet kloppen.

Door de titel speelt Dante mee, toch donker. Bij Dante eindigt het goed, vandaar ‘Commedia’.

Ja, de titel lijkt een soort verhaspeling van Divina Commedia en film noir. Met dat laatste bedoel ik ook de zwart-witfilms van bijvoorbeeld Bergman en Antonioni. Bij Dante is er geloof ik een voltooiing maar bij ons eindigt het niet meer. Na the end begint het weer. Voor dat inzicht opende vooral de film destijds al mijn ogen. En mijn poëzie wordt soms duister genoemd, vaak in lovende zin trouwens. Ik dacht, ik ga dat duister maar eens letterlijk nemen. Nu het ons ook figuurlijk omringt.’

De aanbiedingsbrief geeft goed aan waar de bundel over gaat:
‘De nieuwe gedichten van Jacob Groot komen voort uit de retrotijd van de teenager. Divina Noir is de naam die hij geeft aan het onbegrijpelijke dat hem omringt, laaft en inwijdt. Hij ontdekt de gekte van Artaud, de God van Bergman, de tover van Presley, het raadsel van het ik of de ander. Als een heropvoering van deze inwijding vindt de poëzie plaats. Divina Noir bevat geen terugblik maar spiegelt onze paradoxale staat van genade. Want door vooruit te kijken terwijl je vertoeft waar je geweest bent zul je het zien: het wonder dat uitbleef.’

Op de site van mijn uitgever staat een iets andere tekst: ‘Hij treedt de film van de sixties binnen, de fabel van de seks, de natuur als bruid. Het voormalig zwart-wit gaat daarbij niet alleen blozen in panavision, de schijn van reconstructie bewasemt het heden.’ Dat is ook goed, maar ze slaan er allebei een slag naar. Ik ben eigenlijk uitgegaan van het laatste gedicht van mijn vorige bundel Lofzang, waarin een jongen van tafel opstaat om te zeggen dat hij niet meer mee-eet. Hem voer ik vervolgens langzaam maar zeker op als iemand die ik inwijd aan de hand van een cultuur die hij nog niet begrijpt. Maar juist die inwijding effent zijn pad. Dat pad loopt dwars door deze bundel.


Het is een heen en weer gaande beweging.De man kijkt terug op zijn jeugd. De jongen kijkt naar de toekomst.

Nee, het is ingewikkelder. De jongen krijgt in mijn tekst de gelegenheid om tegelijk al veel ouder te zijn. Hij wordt het snijpunt van twee verschillende kijkrichtingen. Zo kan hij ook steeds namens mij spreken. Of namens ons. Ook wij worden dag in dag uit ingewijd in een onbegrijpelijke cultuur, al heeft die het bedrieglijk vertrouwde gezicht van de media.

Je schreef essays over popmuziek.

Ik beschouw popmuziek als een vorm van poëzie. Dan heb ik het wel over het geheel van muziek en stem en tekst. Dat kan een soort betekenismachine worden die, hoe zal ik het zeggen, heel snel eventjes nieuwe openbaringen aanslingert. Dat gevoel heb ik altijd gehad. De stem als schrift. Dat ging moeiteloos samen met de zeggingskracht van de echte poëzie of de zogenaamde hoge kunst.

Ook de film, blijkens de reeks ‘De Bergman komt’?

Juist, ook de film. Het peilloos diepe zwart-wit van Antonioni en Bergman. Toch gaat het in die reeks steeds om de manier waarop de jongen in de zaal zit. De filmster zelf brandt onbereikbaar in het duister en dan mag het geen wonder heten dat me name de verhouding van de jonge kijker tot de bekeken actrice ook veel later model kan staan voor de ingewikkeldheid van wat eer relatie heet. Want ik ga met terugwerkende kracht van zijn verwondering uit.

Je kiest daarvoor een literaire fictie. De ik is in de bundel een fictie.

Absoluut. Tenminste, dat lijkt me wel.

‘Het wonder dat uitbleef’ staat er aan het slot van het openingsgedicht. . Je eindigt de bundel met ‘Omdat de zege vanzelf spreekt’.

Die eerste regel moet je natuurlijk nadrukkelijk als iets bedrieglijks verstaan. Het is een mop maar het is ook een mantra.
‘Want door vooruit te kijken terwijl je vertoeft waar je geweest bent zul je het zien: het wonder dat uitbleef’, schrijf ik. Je zult dus zien dat het wonder uitbleef en je zult het wonder zien dat uitbleef. Maar dan moet je wel gebleven zijn waar je geweest bent, en nog weten wat er gaat gebeuren ook, wat dus niet kan. Met andere woorden: je kunt het niet zien, ook als het zich voordoet, wat niet uitgesloten is. Vandaar ook die slotregel. Het is heel licht, maak je niet druk, maar doe alle moeite.

Deze zin zegt zowel dat je het wonder dat uitbleef zou kunnen zien, maar je kunt ook zien dat het wonder uitbleef. Het wonder dat verwacht werd, bleef maar steeds uit. Dat is ook iets dat je zult zien. Het zijn twee manieren van zullen zien. Het blijft in zekere zin uit terwijl het zich ook voordoet.

Een paradox. Als het wonder zich echt voordoet, ben je dood.

Dat wist ik niet.

Je gelooft niet dat het bewustzijn à la Van Lommel blijft voortbestaan?

Daar heb ik geen enkel idee over. Ik vind het verschijnsel van het bewustzijn tijdens het leven al zo raadselachtig dat ik me verder niet afvraag wat er daarna nog gebeurt. Het leven zelf heeft al zoiets ongeloofwaardigs.

Waar komt de hang naar mystiek vandaan? Hadewijch? Religieuze opvoeding?

Heb ik een hang naar mystiek? Ik weet het niet, ik heb een gewone religieuze opvoeding gehad, hoewel in mijn familie, aan mijn vaders kant, van  Friesland uit, wel een evangelische ader aanwezig was. Die ader kan parallel met de Afsluitdijk onder of boven het IJsselmeer naar het dorp waar ik ben geboren zijn doorgeschoten. In zijn roman Pierre gebruikt Herman Melville het woord mystiek voortdurend voor alledaagse situaties: het was een mystieke ochtend, Pierre voelde zich heel mystiek, enzovoort. Melville doet dat ook een beetje om het geloof te pesten. Maar hij gaf daarmee vooral aan dat het hogere ons helemaal niet te boven gaat, maar gewoon omringt. Het gaat om de openbaring van het gewone. Het is er.

Het eerste gedicht uit de bundel gaat over de terugblik. Het besef: je bent dezelfde gebleven.

Daar hadden we het al over. Het is eerder het besef dat dezelfde ook al niet dezelfde was. Het begrip behoort tot het schimmenrijk. Kijk, ook in deze bundel geef ik mij over aan een totaalspel waarin geen enkele instantie de voorrang heeft, zeker de autobiografische niet. De teenager is niemand en iedereen tegelijk, oud noch jong.

Je bouwt de bundel heel programmatisch op. Je componeert. Schrijf je de gedichten in de volgorde waarin ze in de bundel komen?

Nee, er wordt later gecomponeerd. Ik heb niet van tevoren een titel of een thema. Er is wel sprake van een productie, van een flow, maar het eventuele verborgen programma ontdek is pas wanneer ik ga rangschikken. In het schrijven vindt de bedoeling plaats.

Je begint de eerste afdeling met ‘je zult het zien’ en dan ga je structurele vragen stellen: ‘wie?’, ‘wat?’, ‘waar?’ Persoon, motief, ruimte.

Dat is ook achteraf gebeurd. Die zogenaamde structurele vragen komen trouwens alleen voor in kleine zijtiteltjes. Die vormen een soort extra stemmetje, om het gedicht waar ze op slaan nog vocaler te maken, nog meer een taaldaad te laten lijken, zo weinig mogelijk absoluut te laten klinken.


Je gebruikt als stijlfiguur vaak het oxymoron en antithesen. Je bevestigt iets, wat vervolgens wordt ontkend. Door de ontkenning wordt het eigenlijk weer bevestigd. En er is de paradox.

Ja. Niets staat vast. Dat is in het schrijven inbegrepen. Al schrijvende stuit je vanzelf op de tegenspraak, die je dan meteen verwerkt.   Net zoals je verschillende perspectieven in eenzelfde beweging kunt vangen, omdat ze door het schrijven zelf worden opgeroepen. Als het goed gaat. Meer mag ik hier niet over zeggen want ik moet het scheppingsgeheim bewaken.

Je laat je door de taal leiden. Door klanken bijvoorbeeld, die andere woorden oproepen. Ze zijn een soort motortje dat jou verder laat schrijven.

Natuurlijk laat ik me door de taal leiden. Door wie of wat anders? En ik wil het liefst een heleboel dingen tegelijk zeggen. Waar Tonnus Oosterhoff in zijn bewegende poëzie de betekenissen in de tijd en de ruimte verspreidt, zie ik ze het liefst zo gelijktijdig mogelijk samenkomen. Maar Divina Noir is ook gewoon een lang gedicht. Overigens dienen de klanken om betekenissen te laten klinken.

Het geheel is een mystieke beweging van duister naar duister.

Daar heb je het alweer. Waarom nou? Ja, dan schrijf ik een boek dat Divina Noir heet en nu mag ik toch wel hopen dat je ziet dat alles door elkaar heen loopt?

‘Mystieke tocht’ is wat zwaar. Ik wil niet als label ‘mystieke dichter’ opgeplakt krijgen. Het werk is ook heel platvloers, heel gewoon.

Je schrijft:  ‘Door me nooit te verliezen zocht ik je / overal’. Wie is de je? Dat kan de ‘ik’ zelf zijn.

Ja, of een ander, of de ander. Ik laat in de hele bundel in het midden wie die ander is. Het kan ook de lezer zijn, als hij dat wil;  mon semblable, mon frère, zei Baudelaire. Het lijkt godzijdank ook verdomd vaak op een geliefde. Maar juist de relatie wordt in de taal van Divina Noir ontleed in een cocktail van eenzame standpunten over elkaar. Ik beweeg me in een theater van taal. Ik werk aan een caleidoscopisch beeld, dat is volgens mij de bedoeling.

Na ‘wie?’, ‘wat?’, ‘waar?’ begint er iets nieuws en dan zie je ook een nieuwe vorm., een sonnet. Het eindigt met‘koel’ en ‘doelloos’.

De teenager moet zijn kop er even bij houden. Hij heeft geen hulpmiddelen en geen houvast. Die impasse komt steeds terug en vereist soms een heldere vorm.

Je hebt het over ‘vormsel’ en ‘olie’.

Ik gebruik graag sacrale metaforen voor banale situaties. De held van Divina Noir wordt bij het kammen van zijn haar betrapt door een buurvrouw.


‘Want zonder haar bij te kunnen komen door haar
achter mij te zien in de spiegel in het middaglicht
van de tuin waaruit zij, de vrouw van haar man, zoals
zij gewoon was, door naast ons te wonen, om zich voor

te doen verscheen, kwam ik bij haar en sprak tegen
het glas terwijl ik mijn handeling onderbrak, de kam
weglegde in de helderheid van een andere hand die mij
leidde, dat ik nu even zweeg, om haar te ruiken in haar

olie, rokgeklede naar de rol van de jongen die ik voor
haar speelde, zodra ik begreep dat zij, door zich niet
te ontbloten maar mij te bekijken zoals ik mij, ofschoon

ik haar adem mij in feite voelde vellen, na school moest
herstellen, mij, in plaats van zichzelf, zonder mij erbij,
haar de gelegenheid bood mij te beschouwen als ikoon


Door de vrouw wordt de jongen iconisch, een leeg beeld, en tegelijk vervuld. Allebei zijn ze eigenlijk naakt. Hij wordt ingewijd in wat nog niet plaats kan vinden. In het daaropvolgende gedicht (‘werpsel’), denkt hij daarover na.

Ikoon, van jou ben ik
werpsel in het wespennest
noch wend ik me tot de spiegel
waarin een ander me ziet maar wacht
in het licht onder de luchter
door de spaarzame boel te bevuilen

Want links lag ik om rechts
te rukken tot ik me draaide
naar de zon die al opkwam
om de druppel te bekronen die me
noemde
juwelier van de handen
der toevloed door het linnen te
bleken

Smile vaneen zomerdag
die de vrucht, als een appel
uit arbeid, me plukte om te blozen
van nawee omdat ik het doel in
de verte
gemist had, maar toch weer meer

wist van het middel

Mastubatie is even het enige wat er opzit. Maar hij treedt toch uit zichzelf, hij is sadder and wiser.
Maar dit ligt allemaal enorm voor de hand, het gaat natuurlijk om iets anders, iets diepers, mede in verband met de omgeving van het gedicht.’

‘Afwezige ga niet weg’.

Dat is het titeltje bij het volgende gedicht. De middelbare-school-scène van  ‘Friday on my mind’. ‘Saturday Night’.
De ontsnapping naar het weekend in de pelgrimage naar de jukebox. De song gaat hem bevrijden, maar in de ban van het idool is hij weer gevangen. De song is een bron van hoger inzicht maar wordt industrieel geproduceerd, dat moet meespelen. De zanger is de god van de negatieve theologie, een ontbrekende die zich zichtbaar manifesteert. De hitparade is de jakobsladder naar de ultieme geluidsbron, ook een bron van inzicht in de maatschappelijke hiërarchie, want de jongen is natuurlijk low. En het idool is natuurlijk erotisch actief.

De olie komt ook weer terug op p.16.

‘de stank van het riool in de olie om de room over de stem waarmee je me doorboort’. Ja, heilig oliesel, slaolie, olijfolie, dieselolie, peterolie. Misschien is hij gewoon in de olie?

Het Vormsel is een initiatie; je wordt volwassen verklaard.

De volwassenheid is het hoogste gebod van de puberteit en de volwassenen die het is gaan uitvoeren vraagt zich steeds weer af hoe je dat ook al weer moet doen.

Boven de gedichten staan steeds nuchtere opmerkingen: ‘het was niet zonder risico’. Op p. 17 gaat het om gezag van de opvoeding, ouders, leraren. Je moet je er van losmaken.

Ja, we zijn allemaal uitverkoren en de jongen van mijn bundel draait er voor op.

‘Transfiniet trouw!’; een paradox.‘Kardinaal / wrong!’ Dat rijmt   op ‘jong’.
Dat is een grap.

Het is allemaal een grap. En niet. Serieuzer kan toch bijna niet! Dat zijn toch de grote beloften en de grote fiasco’s? Nee, dit is echt een kernpunt: de overdrijving belichaamt het belachelijke en overstijgt het. Hemelhoge ironie, graag, met als bonus de kelderdiepe betekenis.

Hoog/laag-wisseling. ‘Optimaal pet!’‘Maar wie prijzen nog de hemeltrans? Prijzen de prei zo / continu mogelijk?’

Prei is een heel verticale groente, ook fallisch te verstaan. Er groeide nogal wat prei in West-Friesland. Meetkunde en religie door elkaar heen; de metaseksualiteit van het klankrijke gewas.’

‘howl’. ‘Allen’. ‘op me afstormende /als het geluk in de vorm van z’n kogel, die zich / omsmolt’ (p.19)

Allen Ginsberg wordt persoonlijk aangesproken. Want dat deed hij bij mij ook. Of bij ons.  Hetzelfde gold voor Dylan. Ik ga een beetje het rijtje langs. ‘liever een biddende kever dan een rollende steen’. Lennon of Jagger. Verderop gaat het over ‘vinyl’, de chaingang van de grammofoonplaat.

‘mag ik me nu even voorstellen?’ (p.21)

Nu komt de aap uit de mouw. En dan hoor je het: ‘ik ben het lege gen van degene / die ik vul’.Vervolgens volgt de samenvatting in een bruggetje naar nu Waste Land anno 2010: moderne duisternis. Die heerst nu eenmaal, maar ik zeg: ‘dit is een allegorie noch een beschrijving’. Hier lijkt de dichter aan het woord, maar het gaat nog steeds om zijn protagonist, gevangen in zijn notendop, mondig dankzij mij, die weer niet mondiger wil zijn dan hij zou zijn geweest. Nu zou ik kunnen ingrijpen en hem meer zekerheid verschaffen, meer mondigheid geven, maar ik blijf hem trouw. Ik ga hem niet verklaren. Net als ik spreekt hij een waarheid die hij niet kent. Ik haat het om in een gedicht te weten waar ik aan toe ben.



Dan volgt de afdeling ‘TEENAGE ÉCLAIR’
Ik ken éclair van het zoete Franse gebak.

Nee,, dit gaat om de verlichting, de flits, de vonk.
Hier komen de eerste grote ontdekkingen aan bod. De echte geboden. De ware gidsen. Hij wil weg uit de samenleving van het gezin. Waarom? Ook de ‘familie’ speelt zich af in ‘de donkere ruimte’. Het gaat nu om bliksem: Presley, Artaud.

Het gezin is een ‘troupe’, een circusgezelschap. De oe roept op ‘hoepel’ en ‘vuur’ en puur op klank in de laatste strofe: ‘stoep’, ‘hoek’, ‘verzoeking’. De dichter laat zich leiden door de taal. (p.27)

Uiteindelijk is het een taalspel. En in de taal speelt ook het gezin een spel, al is het spelen met vuur.

‘abba,vader, deed jij het?’; ‘van de omweg naar / de regen uit uw eikel…
// Eikel (p. 28)

Dat is weer een ander spel: met de oorsprong van het leven. Dat komt later ook voor: iemand die in de moeder gelegen zich deelt ‘door mij af te vuren’. Heeft de ik hier zijn verwekker op het oog? Of ziet hij een hogere instantie, die verantwoordelijk is voor het geploeter? Of vallen ze samen, zijn vader en de Vader. Het is, ook in zijn fysieke vader, een autoriteit die verantwoordelijk is voor zijn bestaan. Hij noemt hem gemakshalve ‘Eikel’, en dat klinkt denigrerend, maar in een ander gedicht wil diezelfde vader graag zijn zoon worden.



De commentaren er boven zijn geen titels.

Nee. Het zijn vingerwijzingen, kleine regieaanwijzingen. Soms word je op het verkeerde been gezet, soms met je neus op de feiten gedrukt. Ze doen mee met het gedicht, maar houden zich op de vlakte. Het gebruik van zulke kleine accenten kende ik nog niet. Misschien is het iets nieuws.

Je zet geen punten aan het slot.

Ik zet alleen punten als de zin ophoudt midden in een regel.

Je had het over ‘corrumperen’ in verband met Presley. Waarom?

In Gelukkige lippen heb ik uitgebreid over Presley geschreven, juist ook namens de jongen die hem voor het eerst hoorde. Ik zie hem als ontleende ontheemde die zichzelf, commercieel geëxploiteerd, als reproduct  laat aanbieden. Zo beleefde ik hem: als een verontrustend vreemd, maar waanzinnig aantrekkelijk artikel, en alles wat hij zong, rook daarnaar. En ik kon hem maar niet bereiken, dat was ook waar. Deze bewustzijnsloze conditie wordt in zekere zin door Artaud verabsoluteerd. Artaud schreef fabelachtige poëzie in een heel rituele, muzikale vorm. Ik voer hem op als de absolute muzikant, maar dan hardcore, malend. Artaud torent natuurlijk heldiep uit boven de idolen van mijn teenager. In diens ogen en oren is hij in staat om die zalige verwarring die popmuziek teweeg moet brengen tot op het bot te regisseren. De lange ode aan hem is een compleet gemythologiseerde autobiografische scène. Ik ontdekte hem in de Gedoemde dichters-bloemlezing van Rodenko, en las hem hardop. Artaud werd opgesloten in gestichten en schreef een eindeloze reeks cahiers vol met sublieme klare waan, hooked aan de taal die hem moest redden.

De ode en ook de reeks eindigen met ‘Zo zal je zijn / wie je verlossing is. Maar jullie leven heet nu voortaan // industrie’.

Jullie: wie dit zegt is niet meteen duidelijk. Wie jullie zijn ook niet. Maar iemand is niet langer alleen. En industrie niet als ijver en inzet, maar als monnikenwerk in de fabriek van de identiteit, de Sisyfusarbeid van de éclair in de produktiemaatschappij van het leven. In wezen laat ik het in het midden.

De afdeling‘Polderschool’ gaat over een ervaring in Zeeuws Vlaanderen.

Nu even over mezelf, voor de goede zaak.
Ik was voor het eerst wat langer in oostelijk Zeeuws Vlaanderen en ik raakte helemaal in de ban van die polders. Deze reeks richt zich ook tegen het schandelijke handjeklap dat ze er mee spelen. In de zeer losse rock van een sonnettenkrans geregen, à la Ida Gerhardt in opdracht. Ik voer mezelf op als hun groupie, hun leerlingkind.’

‘de zoen der bedijkte bomen’

Ook deze bomen zijn muzikale, erotische instanties. Geluidsbronnen. Bovendien zijn ze boven hem gesteld; gaan aan hem vooraf. En wijden hem ook weer in. In de hogere instanties die ze lijken te belichamen, in de orakelachtige aanwezigheid van hun landschap: diepe, grillig gevormde, ronde bassins  vol gewassen, kleine, wijze, rijke, ecosystemen waar een grote kracht van uitgaat. Een totaliteit waar hij niet bij kan komen, maar die hem helemaal binnendringt.’

Ze zijn boven hem gesteld; gaan aan hem vooraf. Ze wijden hem ook in. In het landschap, in iets waar ze voor staan. Het landschap zelf is een metafoor voor een soort instantie, die iets meer zegt dan er alleen maar te zijn en te behagen. Ze hebben een orakel-achtige aanwezigheid. Afwezige aanwezigheid; dat is één lijn met het voorafgaande.
Iets waar je niet bij kunt komen, maar dat wel bij jou kan komen.

Het is een geluk dat het‘Kruispolder’ heet.

Ja, precies. Dat kwam mooi uit. Hedwigepolder was al veel lastiger geweest. De Kruispolder ligt vlakbij Kloosterzande, daar zat ik toen.

Hier weer de woorden ‘olie’ en‘kardinale’.

Als er ergens sacramentstaal past, dan hier wel. Vlaanderen ligt vlakbij en die polders zijn ooit door monniken gegraven. Deze reeks wijst met een mooi vooruit naar ‘De bruid van Beverwijk’.



De overeenkomst is hoe het landschap wordt verpest.

Enorme CO2-uitstoot, bedenkelijke volksgezondheid, Schiphol, hoogovens, overdosis chemie. Terwijl de omgeving schitterend is, gewoon een sierlijk, genaderijk, lijdzaam duinlandschap. In deze reeks typeer ik dat landschap, ook in leerzame zin, als hoer.
Niet alleen omdat het landschap zich zo gemakkelijk laat verkopen, maar ook door iets anders, wat ik even moet uitleggen. Dan gaat het over het extatisch gebruik ervan. De overgave  is totaal en tegelijk ontbreekt de vervulling. Daar doemt  een pornografisch aspect op. Je doet het zogenaamd met iemand die er niet is. De bevrijdende verrukking van het alleen in de natuur zijn… Je wordt door wind en licht bekogeld, vooral als je beweegt, als je eigenhandig rondrijdt. Dat gaat bijna onmerkbaar over in een behoefte aan schennis. Je moet iets terugdoen. Natuur is één moeite door koningin en een pornoslet, maar in beide gevallen is ze de bruid. Misbruik ligt dan ook voor de hand, ja niet door mij natuurlijk, maar door de pooiers van de politiek. We leven in een pornocratie, let op mijn woorden. We kunnen de schoonheid blijkbaar niet verdragen en voorzien haar gemakshalve  van haar tegendeel, een enorme dosis vunzigheid. Maar wat is vunzig? Je levert je bijvoorbeeld na een uitputtende fietstocht grondig en volledig lichtledig over aan het genot van het fatamorganische uitzicht op de zandbanken langs Texel vanaf het strand bij de Donkere Duinen onder Den Helder en meteen wil je op de meest liederlijke wijze neuken. Why? Why not?


Of masturberen in het landschap, zoals we dat bij Ouwens vinden.

Dat zou er moeiteloos uit kunnen voortvloeien. Bij mij is dat uitgesloten, al laat ik het dus wel even toe in een jongensbed, als een rite de passage. Ik vind dat niet de sterkste kant van Ouwens’ werk. Later heeft hij dat kunnen weglaten, waardoor hij juist dieper kon doordringen in de verbrijzeling van het genot.

Bij Powys vind je de ontluistering ook.

Zeker, daarom gaat het ook mis met de hoofdpersoon. Maar hij volhardt, en na de ontluistering vat hij ongekende moed.
In deze bundel zul je daarom zelfs geen onverholen idylle vinden.
De inwijding vindt op een verpletterende wijze plaats.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Nachtkastjesgeur: Ester Naomi Perquin

 

 

Ester Naomi Perquin (Utrecht 1980) groeide op in Zierikzee en woont inRotterdam. In 2006 studeerde ze af aan de AmsterdamseSchrijversvakschool met als hoofdrichting poëzie. Ze wasgevangenbewaarder om haar studie te bekostigen. 

 

Perquin is sinds 2008 redacteur van Tirade. Ze schrijft columns voor deGroene Amsterdammer en radioverhalen voor VPRO‘s De Avonden. OpGedichtendag 2011 werd ze benoemd tot Stadsdichter van Rotterdam.

 

In het voorjaar van 2007 debuteerde ze met de dichtbundel Servetten halfstok (2007) (Debuutprijs van het tijdschrift Het Liegend Konijn; de 4eEline van Haarenprijs 2008 voor de beste bundel van een dichteres tot 35 jaar; genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2007 en de Jo Peters Poëzieprijs 2008.)

Haar tweede bundel is Namens de ander  (bekroond met de Jo Peters Poëzieprijs 2010, de J.C. Bloem-poëzieprijs 2011   en genomineerd voor de Hugues C. Pernath-prijs 2009 )

Voor haar beide eerste bundels won Perquin de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 2009, en ze ontving in 2010 voor haar oeuvre de driejaarlijkse Anna Blaman Prijs voor schrijvers met een binding aan Rotterdam.

Haar derde bundel Celinspecties verscheen onlangs.

 

 

 

Risico’s

 

Onze gebruikelijke kamer. Geheel volgens afspraak richten de muren

zich op. Het raam ontvouwt, compleet

 

met gesloten gordijnen. Dit zou het begin van de nacht kunnen zijn

of het eind van de dag. Vormvast schemerdonker,

 

wat grappen over daglicht dat minder en minder verdraagt. De geur

van hout en overrijpe mandarijnen.

 

Kijk, daar komen de kastjes tevoorschijn, het tweepersoonsbed

tekent zich af met de lakens en dekens,

 

de sprei met de vlek ligt precies waar hij lag. Eenmaal beneden

hernemen we onze gezichten, schuiven we aan

 

en het uitzicht vult de kozijnen: landerijen, drie wankele bomen.

We weten al lang wat we nu zullen nemen:

 

het voorgerecht dat steevast tegenvalt, de biefstuk en de appeltaart.

We zijn ouder geworden, kunnen inmiddels

 

iets beters betalen. Het regent hier de meeste dagen van het jaar.

Het grootste gevaar dekt ons toe

 

met dezelfde plek, dezelfde kamer. We wagen ons gewoontes in,

hebben ons lief. We herhalen.

 

 

 

Het gedicht bestaat uit negen disticha, waarbij telkens de tweede regel ongeveer de helft van de eerste is. Heb je dat bewust zo geschreven?

 

Je weet niet altijd precies wat je doet. Het gedicht ontstaat en zoekt zijn eigen vorm. De eerste strofe eindigt met ‘compleet’ en die vorm werd in de andere strofe herhaald. Het gaat ook om herhaling.

 

De eerste zin heeft geen werkwoord. Je valt met de deur in huis. In een gedicht zou: ‘Dit is onze gebruikelijke kamer.’ niet passen; te prozaïsch.

 

Maar zo zeg je dat ook, stel ik me voor, met zo’n verkorte vorm. Een nuchtere, maar ook wat droevige constatering.

 

‘richten de muren zich op’: zo doet dat zich aan de personages van het gedicht voor, alsof ze omhoog komen.

 

Het lijkt een decor. Je kunt denken aan een filmdecor dat wordt opgebouwd. Ze kunnen ook weer vallen.

 

‘Het raam ontvouwt’; niet ‘ontvouwt zich’.

 

Dit lijkt actiever, dwingender.

 

‘met gesloten gordijnen.’

 

Ja, dat is zo in hotels. Men laat de gordijnen dicht om een intieme sfeer te suggereren. Het heeft ook iets erotisch. Je kunt meteen op het bed neervallen. Dat is bewust beleid. Misschien ook wel om het meubilair te sparen voor het zonlicht. 

Je moet je thuis voelen in een hotel. Vandaar de welkomstwoorden tegenwoordig op het beeldscherm. Tegelijk is er weinig treuriger en eenzamer dan een hotelkamer. Het is onpersoonlijk. Iedere nacht andere mensen onder dezelfde reproducties van Monet of Renoir of nog erger.

 

‘Vormvast schemerdonker’; weer een woordgroep zonder werkwoord. ‘schemerdonker’ lijkt eerder diffuus.

 

Het is constaterend, bijna saai. Welbewust. ‘Vormvast’ want alles zit vast in zijn vorm. Tegelijk zijn de meubels in zo’n soort hotel hoekig: nachtkastjes, rechthoekig bed en een vierkant tafeltje.

 

Je hebt het ‘daglicht’ gepersonifieerd.

 

De uitdrukking is natuurlijk: ‘dat verdraagt het daglicht niet’, waarbij ‘dat’ het onderwerp is. Ik begreep dat als kind verkeerd en dacht dat het daglicht iets niets verdroeg, wat natuurlijk vaak zo is als je je tenminste op het standpunt van het daglicht stelt. Er is zo veel dat het daglicht liever niet ziet. Ik dacht als kind ook dat ‘houd de dief’ was: ‘houten dief’.

 

Het is een dichterlijke eigenschap om de dingen te personifieren. Dichters kunnen medelijden hebben met een verwarming die achter een bank staat en die nooit de kamer kan zien. Het is een een kinderlijke eigenschap die ze niet hebben verloren.

 

Die twee die de kamer binnenkomen maken grappen over dat daglicht om de sfeer te ontkennen, de sfeer van treurnis.

 

‘De geur / van hout en overrijpe mandfarijnen.’ Nachtkastjesgeur.

 

Ja, zo ruikt het daar. Ik vind overrijpe mandarijnen ook heel erg. Misschien wel opgeroepen door oranje spreien of de vorige ‘bewoners’ aten mandarijnen.

Het heeft iets van verval, van verloren erotiek. Men zegt van vrouwen dat ze overrijp zijn, nooit van mannen. 

 

Langzaam ontvouwt zich de kamer, alsof er een camera langs gaat, in slow motion.

 

Ja, het gedicht ontvouwt zich. Het geheel wordt je bijna ingepeperd. Het is slag op slag.

 

‘de sprei met de vlek’: dat hoeft geen sperma te zijn, kan ook een koffievlek zijn.

 

In goedkope hotels wordt zo’n sprei niet gewassen, niet vervangen. Het stel ziet de bekende vlek. Ik heb gewerkt als kamermeisje en ik weet dat zulke spreien lang kunnen blijven liggen en dat de vlek zelfs op dezelfde wijze op het bed ligt. Het kan ook niet anders.

 

Dan gaan ze naar beneden en hun gezichten zitten weer in de plooi.

 

Wat is er gebeurd op de kamer? Zijn er verwijten geweest? Waren ze boos op elkaar?

Of dát zelfs niet meer.

En dan gaan ze naar beneden. Ze trekken weer hun sociale gezicht. Niets aan de hand. Het gaat prima met ons. Ze gaan aan de bekende tafel zitten.

 

‘het uitzicht vult de kozijnen’: weer die personificatie. Het is een treurig uitzicht.

 

Ze eten wat ze altijd eten, ook al weten ze dat het tegenvalt. Waarom kiezen ze nooit iets anders, de kaart bevat meer gerechten, maar nee, ze eten het bekende. En ze eten dat waarvan ze denken dat rijke mensen het eten: biefstuk. Dat eten ze thuis niet. En appeltaart. 

 

Je kunt nog denken aan bloed en zoet.

 

Ze kunnen zich langzamerhand iets duurders veroorloven, maar nee, ze gaan elk jaar naar het zelfde hotel, eten hetzelfde gerecht. Het is als hun huwelijk. Dertig jaar. Het gedicht gaat over een stel van wie ik hoorde. Het huwelijk als sleur. Iemand zei dat zo’n huwelijk risicoloos was. Dezelfde vrouw, dezelfde man, dertig jaar. Maar dat is van een hoog risico! Je verspeelt je geluk. Van de een naar de ander wippen; dat is risicoloos. Dat is gemakkelijk. Je verveelt je dan niet.

 

Don Juan verveelde zich uiteindelijk ook. Al die vrouwen, dat is allemaal hetzelfde.

 

Ja, maar dit lijkt minder gevaarlijk. Uiteindelijk is een dergelijke situatie dodelijk voor je gevoelsleven: ‘Het grootste gevaar dekt ons toe’. Het lijkt veilig, we worden afgedekt.

 

‘We wagen ons gewoontes in’?

 

Ja, ze hebben het lef om gewoontes toe te laten. Dit is dubbelzinnig. ‘hebben ons lief’; dat wil zeggen: we houden ons bij elkaar. Misschien ook om voor de buren een eenheid te blijven. Het gaat goed hoor! ‘We herhalen’. Daar is ook weer gek genoeg moed voor nodig.

 

Nog even over de vorm: had het ook zó gekund: zeven disticha. De eerste strofe eindigt met ‘gesloten gordijnen’; het tweede met ‘minder’ etc.

 

Enjambementen kunnen willekeurig lijken, maar bij nader inzien ben ik toch blij met de bestaande vorm. Het herhalende komt er beter mee uit. Ik heb ook wel gedacht: zijn er niet te veel herhalingen? Het gaat maar door. Maar dat past natuurlijk goed bij het thema van het gedicht. Het is gruwelijk.

 

Je schrijft ook columns voor De Groene. Denk je dat je naar proza toegroeit?

 

Ik wilde vroeger natuurlijk de vuistdikke roman over liefde en dood schrijven, maar voorlopig kan ik dat niet. Ik ben een korte-dingetjes-schrijver. Columns passen daar goed bij. Misschien publiceer ik ooit korte verhalen.

 

Weet je wanneer iets een gedicht wordt en wanneer een column?

 

Ja, voor een column moet je iets meemaken, wat je wil vertellen. Iets eenvoudigs, alledaags misschien, een waarneming. Ik sta bijvoorbeeld achter een volumineuze dame in de supermarkt en die rijdt tegen een stelling op met tomaten. Al die tomaten rollen over de grond en zij doet geen enkele moeite om dat te herstellen. Ze doet alleen moeite met dat dikke lijf en dat enorme achterste om tussen de rollende tomaten te stappen. Ik sta daarachter en denk: wat is dit? Waarom fascineert mij dat? Zo iets wordt een column.

Bij een gedicht vertrek ik vanuit een gedachte of vanuit taal.

In dit gedicht was dat: ‘de sprei met de vlek’. De gedachte van treurige herhaling in een langdurige relatie.

 

Maar het begon dus met een beeld.

 

Beeld en gedachte zaten aan elkaar vastgekleefd.

 

Een gedicht valt je toe. Vroeger hadden we het over de muze die haar gunsten al of niet verleent. 

 

De muze kun je lokken. Je kunt ook gedichten in opdracht schrijven. 

 

 

 
Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

JAN GLAS GEDICHTEN ALS COLLAGES

 

 

 

Jan Glas
 
Gedichten als collages
 
Jan Glas is dichter, fotograaf, beeldend kunstenaar en zanger. Voor zijn Groningstalige poëzie won hij al diverse prijzen waaronder de Literaire Prijs van Stichting ‘t Grunneger Bouk en de Duitse Freudenthal-prijs voor nieuwe Nedersaksische literatuur. In 2008 ontving hij het Belcampo-stipendium wat resulteerde in de tweetalige bundel Zo is t nait goan / Zo is het niet gegaan. In hetzelfde jaar verscheen ook een boek waarin hij samenwerkte met de schilder Dolf Verlinden: Stel je bent schilder.  
Overig werk van hem: De vangers van zummer, Het getal hondje, Een klein gebaar, Dubbel Glas.
==
 
Ik moet nog even ontbijten. Ik werk ‘s nachts en dan sta ik laat op.
 
We gaan over één of twee gedichten praten; niet over je leven.
 
Dat is mooi. Het gaat om de gedichten. Ik ben ook bang dat ik anders tussen mijn gedicht en de lezer sta. Dat vind ik jammer, omdat ik soms van lezers dingen hoor over mijn gedichten die ik zelf nog niet weet. Je moet als dichter een gedicht niet uitleggen, dan ontneem je de lezer zijn avontuur. 
 
Het titelgedicht:
 
Als was zij mijn vrouw
 
Ik trof haar half bevroren aan.
De hele winter had ze op de ganzen gewacht.
Ik nam haar in huis als was zij mijn vrouw.
 
Binnenshuis deed ze plastic zakken
om haar vieze voetjes.
‘Ach, dat hoeft toch helemaal niet,’ zei ik.
Ritselend liep ze naar de koelkast.
Ik ging mijn bed verschonen.
 
‘Weet jij eigenlijk wel
dat je aan de hemel ontsnapt bent?’
Ja, dat wist ze wel.
 
Boven stond ik nog even
voor het slaapkamerraam.
 
Het water in de vijver, zag ik,
was vis geworden.
 
Het gedicht begint met een hyperbool: ze is natuurlijk niet echt halfbevroren. Ze is nogal koud. De tweede regel is verrassend. Ze wachtte op het voorjaar. De zij is waarschijnlijk een mens. Het kan ook een dier zijn, maar ze doet menselijke dingen. Ze is bang om dingen vuil te maken. Ze krijgt nu iets meisjesachtigs. Ze heeft allerlei wonderlijke kleren aan: ritselend.
 
Nee, dat zijn die zakken.
 
Ze gaat naar de koelkast, want ze heeft honger. De ik gaat zijn bed verschonen. Je weet immers nooit wat er van komt. Dan vraagt de ik: ‘Weet je eigenlijk wel / dat je aan de hemel ontsnapt bent.’ Ontsnapt! Ze is niet dood gevroren. Misschien is ze wel een engel. Ze komt uit een andere wereld, omlaaggevallen in de kou. Ze is hier al een tijd, want ze heeft op de ganzen gewacht. De ik staat boven nog even te peinzen. En dan, dat is altijd zo in je  gedichten, komt er een vreemde wending: het water was vis geworden. Beetje absurdistisch. Er zit zo veel vis in de vijver dat je geen water meer ziet. 
 
Je houdt niet van metaforen.
 
Het gedicht op zich kan een metafoor zijn. Binnenin hou ik daar inderdaad niet van. Het gedicht ‘De zoon en de zee’ gaat over een verstoorde moeder-zoon-relatie. Ik hou er van als een gedicht een parabel is of een metafoor. In het gedicht hou ik van directe taal. 
 
Betekent dat ook dat je een adept van de Zestigers, Bernlef en Schippers?
 
Daar weet ik niet genoeg van om daar iets over te kunnen zeggen. Wat ik steeds meer merk, is dat ik misschien meer beeldend kunstenaar ben, dan een dichter. Toen ik gestopt was met beeldende kunst en gedichten ging maken, ben ik begonnen met een magere achtergrond. Ik had Vasalis gelezen, Rutger Kopland, Remco Campert, Gerard Reve; wat iedereen wel heeft gelezen. 
Ik begin altijd met een beeld. Dat levert een zin op. Ik hou niet van vage zinnen, waarin je van alles kunt vermoeden. Misschien dat je mijn regels niet altijd begrijpt, maar het zijn wel duidelijke zinnen.
 
Parlando. Elke regel zou een stukje van een krantenbericht kunnen zijn.
 
Ja. Dat doe ik veel. Ik heb dit boekje hier. Ik luister veel naar de radio en lees kranten en ik schrijf heel veel dingen op, die ik hoor of lees. De eerste regel van dit gedicht komt van een documentaire op de tv. Het ging over de Noordpool. Het zou voorjaar worden en de ganzen kwamen terug. Toen kregen we een klein poolvosje in beeld, dat kwam uit zijn hol en toen zei de voice-over: ‘De hele winter had ze op de ganzen gewacht.’ Dat is een mooie zin, dacht ik. Het gedicht is gestoeld op die zin en op wat ik met Anneke Claus heb meegemaakt in Turkije. We bezochten een heiligdom, moesten de schoenen uitdoen en kregen plastic overtrekjes, die ritselden. Toen we naar buiten kwamen, werden mijn overtrekjes is een mand gedaan voor hergebruik en die van Anneke werden in de afvalbak gegooid, omdat zij een vrouw was. Een man mocht dat niet meer gebruiken. Ik lachte en zei: ‘Je hebt gewoon hele vieze voetjes.’
 
Het poolvosje wordt ook een soort geliefde, die je eigenlijk wel in bed zou willen hebben.
 
Ja en ik vind Anneke een aantrekkelijke vrouw. Ik ben van de mannen, maar ik vind Anneke heel aantrekkelijk. Die spanning vind ik fijn: om als homo te spelen met een andere schoonheid. Dat lees ik niet zo vaak bij homo’s in de poëzie. Je had dus gelijk: het gaat over een beestje èn over een vrouw. 
 
Engelachtig voorkomen: aan de hemel ontsnapt.
 
Nee, als je van de dood gered wordt, hoe mooi is dat dan? Misschien is dood wel prachtig. Hoe dankbaar moet je zijn om terug te komen in het leven als je half bevroren bent? Misschien eigenlijk niet.
 
Er staat niet: weet je dat je de hemel gemist hebt?
 
Ja, het is dubbel. Je hebt nog een kans in dit leven. Als je zegt ‘gemist’, stop je er meer een mening in, dan wanneer ik ‘ontsnapt’ gebruik.
 
Past ook beter bij het vosje.
 
Dat water in de vijver gaat terug op een foto in de krant van een vervuild meer. De dode vissen dreven boven. Je zag geen water meer. Dat beeld heb ik een jaar meegedragen.
 
Wat je doet in een gedicht is het laten botsen van een aantal beelden. Je laat het gebeuren in je onderbewustzijn.
 
Min of meer. Ik maak wel bewust de keuzes. Ik schift. De eerste strofe had ik vrij snel. Ik hou veel van ingrepen. Hoe moet ik nu verder? Er stond: ‘Ik nam haar in huis als was zij mijn vrouw.’ Nu moest ik verder. Red je er maar mee. Toen kon ik dat beeld gebruiken van die vieze voetjes. 
 
Je begint met de vos en zijn vieze pootjes en dan associërend komen de ‘onreine’ voetjes van een vrouw. Het is een collage.
 
Mijn grote held is Max Ernst. Hij schilderde en hij maakte collages. Kijk, hier zie je een vrouw met grote veren. Veel mannen hebben vleugels van een draak. Aan de wand een schilderij met vallende stenen.
 
Bij hem hebben die beelden een metaforische betekenis: de vrouw is gevallen bijvoorbeeld. 
 
Hij is beïnvloed door Freud. Hier heb ik een heel erotische voorstelling. Ik zou er graag een gedicht bij willen maken, maar het beeld is te sterk. Het is al klaar. Je leest wel eens collage-gedichten die niet persoonlijk zijn geworden. Dan is het alleen een techniek.
 
De strofebouw wordt bepaald door een allinea-achtige structuur. Je begint een nieuwe strofe bij een nieuwe ‘allinea’.
 
Ik ben hier begonnen met een tweeregelige strofe, maar dat kon ik niet volhouden. Een vorm is wel prettig; die dwingt je om bepaalde keuzes te maken. 
Ik heb nooit gedichten die langer zijn dan één bladzijde. Ik vind het gedicht als beeld belangrijk.
 
De laatste strofe gaat over verrotting. Als je dat als lezer verbindt met het voorgaande, geeft het de onmogelijkheid aan van die verhouding met die vrouw.
 
Ik hou ervan in poëzie om de scène te verstoren. Je kunt zeggen: de ik heeft het wezen gered, maar de vissen zijn dood. 
 
Je wordt geroemd om je voordracht. Hier wacht je even voor de laatste strofe en dan, met een iets lagere stem, komen de vissen. 
 
Timing is belangrijk. Ik heb het geleerd bij de voordracht in het Gronings. Dan moest ik zorgvuldig lezen, omdat een deel van het publiek het anders niet begreep. Men vond de klanken mooi en toen heb ik de muzikaliteit nog wat versterkt. Tempo, klank en ritme.
Ik hou veel van poëzie: het is taal èn beeldend èn muzikaal. Het nadeel van beeldende kunst maken – ik spreek voor me zelf – is dat ik zo veel bepaal voor de kijker. Kleur, vorm; er blijft niet veel over om in te vullen. Maar als ik zeg ‘blauw’ kun je als toehoorder kiezen uit honderden tinten. Na voorlezingen komen mensen op me af en reageren. De communicatie is veel beter. Dat geeft me de poëzie. Ik raakte als beeldend kunstenaar in een sombere periode die een paar jaar duurde. Het is veel eenzamer. 
 
In het gedicht ‘Onze slaapkamer’ begin je met een kinderlijke formulering: ‘Dan is onze slaapkamer een hotelkamer / en jij bent de nachtportier en dringt met een sleutel / m’n kamer binnen om me te verkrachten. / Ik lig te slapen. Jij bent een neger.’ Het gedicht gaat over het spannend maken van seks, met behulp van de fantasie.
 
Ik ken vrouwen die zo’n fantasie toegeven. Zelfs lesbiennes. Fantasie is veilig. Daar kun je niemand op afrekenen. Het staat los van de werkelijkheid. Niets is zo fascinerend als seksuele behoeftes van mensen. Wanneer je afspreekt: we gaan een verkrachtingsscène doen, dan spreek je ook af dat je het moet horen als ik te ver ga. In een echte verkrachting gebeurt dat niet.
 
Maar je weet hoe dit gedicht eindigt: ‘En mocht ik mij verzetten / pak me dan maar hard aan.’
 
Dat is het dubbele. Hij wil eigenlijk dat de ander het spel voorbij gaat. Daar moeten mensen altijd verschrikkelijk om lachen. Het is natuurlijk een hysterisch gedicht, omdat in feite  de ik-persoon de verkrachtingsscène wil, maar hij denkt er ook nog een heel hotel bij. Een cliché-hotel.
 
Hij herhaalt: ‘En denk erom, / je bent een neger.’ Hij zegt niet: ‘je hebt een grote lul.’
 
Dat zou niet goed zijn. Dan vul je het te veel in. De lezer heeft zelf dat cliché-beeld al bedacht.
En het exotische. Heel veel blanken fantaseren over seks met een donkere partner. Het woord ‘neger’ is een taboe. Ik heb wel eens voorgelezen en toen zag ik een donkere man zitten. Toen durfde ik het niet voor te lezen. Een andere keer zat er een donkere vrouw en ik dacht: nou, toch maar proberen. Ze moest verschrikkelijk lachen. Een andere vrouw zei: ‘Ik vind het een pijnlijk ontroerend gedicht.’
Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Lucas Hirsch Rebels en gevoelig

 


Lucas Hirsch (1975) is dichter te Haarlem. Hij publiceerde bij De Arbeiderspers eerder de bundels familie gebiedt (2006) en Tastzin (2009). Onlangs is zijn derde bundel, Dolhuis, verschenen. Hirsch publiceerde zijn werk de laatste jaren in een aantal Nederlandse, Vlaamse en Amerikaanse tijdschriften. Hij is ook performing poet.

==

vijftien vadem diep

 

bijna kinderliedjes onthouden

de deining ingezet op vijftien vadem diep

 

aan het ij de stad een galmbak

groots gebarend de totaalplaat ontvouwen

 

de regels voor mijn huis mijn hoed opgehouden

gegroet oh dak mijn dankbaar dak in spe

 

rebels als je bent

ontkend gehurkt tussen de bloemen

 

in het park prevelt de ober

hoe goed het smaken heeft

 

ik denk en geur dan zomer stad rivier

en jij daarover

 

oude lengtemaat de vaardiepte is

makkelijk te meten door het touw tussen

de handen aan de gestrekte armen binnen te halen

 

voor toepassing op land gedefinieerd als zes amsterdamse voeten

weet jij staat er achter tussen haken

 

is zeer handig wanneer je je

plaats vindt onder de inmiddels opgevouwen zoldering

het water en de bomen zo klein

 

suggereren dat er iets ontbreekt vergeten is

vandaar dit schrijven perfecte flaneur

 

het hummen van de melodie mijn lippen rijstpapier

het maakt niet uit dat ik de stad oppak en blaas

 

==

 

Dit gedicht heb ik in opdracht geschreven.

Daarom de titel?

 

Ik denk vanwege het ritme. Het kan zijn dat ik het onbewust ergens heb meegepikt. Ik heb geschiedenis gestudeerd en heel veel over Amsterdam gelezen. Over het IJ en de ontwikkeling van de stad.

 

In Handelingen 27:28 gaat het over de schipbreuk van Paulus. Vijftien vadem diep, dat is ongeveer 27 meter. Shakespeare heeft het in The Tempest over vijf vadem.

 

Vijftien vadem is ritmisch beter. Geeft het wat meer verdieping. Ik weet wel dat het IJ diep is vanwege al die cruiseschepen. Ik heb het gedicht zes jaar geleden geschreven. Het is wat lastig om dat terug te halen.

 

Misschien juist wel interessant.

 

Ik heb aan de Amstel gewoond en die rivier komt op het IJ uit. Ik voelde me verbonden met het IJ. Ik heb het gedicht geschreven voor de nieuwjaarsreceptie van Cohen. Het is een enorme rel geworden, omdat toen een gedicht van Erik Jan Harmens werd verboden door de organisatie. Ik woonde toen net aan de Amstel. Ik kwam vanuit de Rivierenbuurt. Het moest nog mijn huis worden. Vandaar ‘dankbaar dak in spe’. Hoog. Je ziet ‘de totaalplaat’.

 

De vierde distichon lijkt me kenmerkend voor jou en je werk: rebels en ‘gehurkt tussen de bloemen’. Je hebt een harde kant, een macho-kant en een zachte kant.

Mooi van klank trouwens.

 

Ik doe heel veel met klank. De ober vraagt of het gesmaakt heeft en er zijn veel smaken in het park. Dat dubbele vind ik wel aardig.

 

De jij is een geliefde?

 

Ja.

 

‘dit schrijven perfecte flaneur’. Dat zegt iets over je dichterschap.

 

Ik probeer een flaneur te zijn , een waarnemer. Zo kijk ik naar mijn omgeving. Ik filter uit wat ik zie en hoor en lees van alles voor mijn poëzie.

 

Dan kom je terug op het zingen uit het begin op de pont. ‘mijn lippen rijstpapier’

 

Heel kwetsbaar ook. Ja, leuk om het zo terug te lezen.

 

Je houdt niet van komma’s?

 

…….

 

Je doet in elke bundel andere dingen.

 

Ik had laatst een gesprek met Ellen (Deckwitz) en zij zei dat mijn eerste bundel een stijlwaaier was. Tastzin en Dolhuis  zijn met een thema geschreven, met een intentie en emotie. Ik werk veel vanuit mijn onderbuik.

 

Met een andere poëtica ook.

 

Er zitten sleutelgedichten in. Je kunt uit familie gebiedt gedichten halen die je in Tastzin terugvindt en verder in Dolhuis. Dat noem ik sleutelgedichten. Als ik bijna aan het eind van een bundel ben, schrijf ik heel anders. Het past wel in de bundel, maar uit Tastzin  heb ik een gedicht meegenomen naar Dolhuis, een beetje herschreven. In de vierde bundel komen gedichten uit drie.

 

Toch is de derde bundel totaal anders dan de tweede.

 

Absoluut. Bij Dolhuis heb ik niet aan een poëtica gedacht. Ik moest die bundel maken. Dit moest ik melden. Tastzin  heb ik vanuit een persoonlijke crisis geschreven; een identiteitscrisis ten opzichte van mijn familie. Dat was in de eerste bundel al een thema, maar werd in de tweede uitgewerkt. Ik was afgebroken en moest mezelf weer in elkaar zetten. Wie ben ik? Waar liggen mijn roots? Ik heb een Indische en een joodse kant. Tastzin  gaat over een familietrauma dat zich ook in mij heeft gemanifesteerd. Oorlog houdt nooit op. Aan het eind is er een brief aan een oudtante van mij, Beatrice. Mijn opa is de enige die is teruggekomen uit Auschwitz. Mijn vader is van ’51, tweede generatie dus, maar die heeft geleden onder de oorlogsgeschiedenis. Mijn opa was een lieve, zachte man. Hij zei: ‘Ik ben al naar de hel geweest, de aarde nu is mijn hemel.’ Ik kwam in een crisis terecht, met een heel laag zelfbeeld. Ik heb de bundel in twee maanden geschreven. Daarna moest ik natuurlijk ordenen en schaven. Het moet één op één zijn, diep uit je ziel komen. Onverbloemd.

 

In de derde bundel neem je afscheid van de metaforiek. Je bent opgegroeid tijdens je studie met Lucebert.

 

En Kouwenaar!

 

Wat me nu opvalt is dat al in Vijftien vadem diep  heel gewone taal wordt gebruikt. ‘de stad een galmbak’ is wel een metafoor, maar heel herkenbaar; niet Lucebertiaans. 

 

Ik heb daar heel erg mee geworsteld en veel geleerd van het simpele taalgebruik van Kouwenaar, die ik enorm bewonder. Hij kleedt de taal uit, maar hij zet het zo neer, dat er een compleet andere dimensie ontstaat. De drift van Lucebert, de klank en het ritme, probeer ik te combineren met de helderheid van Kouwenaar.

Sirrka Turkka, een Finse dichter, is ook een inspiratiebron voor mij. Er zijn van haar vertalingen bij de Bezige Bij uitgekomen. Zij woont midden in een groot bos. Ik heb wel eens wat gestuurd, maar dat is nooit aangekomen denk ik. Het is een romantisch idee, dat die brief nog steeds rondzwerft. Ik heb een cyclus in Tastzin aan haar opgedragen. Zij combineert een Hans Christiaan Andersen-achtige  sprookjeswereld met een Kouwenaar-achtige helderheid. Fantastisch.

Ik heb een maand in New York mogen schrijven, in een schrijfkolonie, midden in de wildernis. Upstate New York, twee uur met de trein naar boven. Daar heb ik veel wandelingen gemaakt in de natuur. Ik heb Dolhuis daar afgeschreven. Overigens zit daar geen natuurbeleving in.

 

Over Dolhuis wordt geschreven door je uitgever: ‘Een bundel als een vuistslag, maar dan met een fluwelen handschoen.’ Vuistslag, accoord, maar fluwelen handschoen?

Ik vind woede en dat zit in al je werk.

 

De bundel is niet alleen maar woede; er is ook berusting. Er staan ook gedichten over verlies in. De vuistslag trek aandacht, maar met fluweel komt het wat zachter aan. Ik heb deze bundel niet gemaakt om mensen in elkaar te trimmen.

 

Er staat verder: apolitiek. Het is, denk ik, politiek als je het koningshuis aanpakt.

 

Wat ik niet heb willen doen is vanuit een koopmans-domineesgeest even de wereld vertellen hoe het moet. Ik heb geprobeerd de dingen die ik om heen gezien heb gedurende vier jaar te filteren en dan één op één weer te geven. Dit gebeurt. Ik kaart het aan en dat komt uit alle hoeken aanwaaien, uit linkse en rechtse. Het is niet politiek partijdig. Het is geen links pamflet, evenmin rechts of liberaal.

 

In het huidige literaire en poëtische klimaat is engagement een vies woord’?

Dat vroeg ik me af. Is dat nog zo?

 

Het gekke is dat het engagement het laatste aantal maanden of het laatste jaar steeds

meer terugkomt, maar het is toch lang ‘not done’ geweest. Er wordt nog wel lacherig over gedaan.

 

Dan praat je over tien jaar geleden of nog langer. Ik kan zo allerlei dichters noemen die geëngageerd schrijven: H. ter Balkt, Robert Anker, Anne Vegter, Astrid Lampe, Joost Zwagerman, Ramsey Nasr, Erik Jan Harmens, Tsead Bruinja, Willem Thies.

 

Engagement’ is een beladen woord. Ik probeer niet vanuit een persoonlijk politieke overtuiging te schrijven. De bundel eindigt met de opmerking: dichters, ga nou eens te rade bij je zelf of wat jij maakt voor jou menens is. Ga je tot het gaatje? Ben je één op één? Verbloem je dingen nog? Is je werk urgent of niet? Wat ben je eigenlijk aan het doen?

 

Maar daaraan moet toch alle goede poëzie in alle tijden voldoen?

 

Ja, maar het gebeurt te weinig. Naar mijn idee. Ik vind dat er te veel…

 

gebabbeld wordt.

 

Ja. En de de hele ‘laissez faire’ die nu heerst; laat duizend bloemen bloeien. Daarin verzuipen we. Er is geen kritiek meer mogelijk.

 

Dat is een beetje modieuze stelling. De tijd van de poëzie-scholen, Vijftig, Zestig, Zeventig is inderdaad voorbij. De Maximalen deden nog een poging, maar dat viel al snel uit elkaar. Er was weerstand tegen de zogenaamde hermetische of witte poëzie.

 

Het pamflet van Erik Jan: ‘de bijl er in’ doet een duidelijke oproep: poëzie moet schuren, moet pijn doen.

 

Alsof dat iets nieuws is na Paul van Ostaijen, Lucebert, Claus, Ter Balkt.

 

Het hoeft voor mij niet over woede te gaan. In hoeverre put je jezelf uit? Ga je tot de grens of er net over? Ik lees veel gedichten waarvan ik denk: ja, er zit nog een veel diepere laag onder. Ik lees die pijn wel, maar ik voel hem niet.

 

Misschien worden er te veel gedichten gepubliceerd. 

 

Nou goed. Ik ben in Dolhuis  naar mijn gevoel een grens overgegaan, waarbij je je heel ongemakkelijk voelt. Roeshoofd hemelt van Zwagerman is voor mij een heel belangrijke bundel. Underperformer  van Erik Jan Harmsen ook, in het overboord gooien van de mooi praterij en ga nu eens naar de kern, Waar wil je over schrijven? Doe geen concessies aan je eigen werk.

 

The New York to Pittsburgh and Back Dutch Poetry Tour – de reis van jou en Hélène Gelèns, Erik Jan Harmens, John Schoorl en Joost Zwagerman door de Verenigde Staten.

Heb jij de reis georganiseerd?

 

Het is mijn initiatief geweest, met de Stichting Kleine Revolutie Producties opgericht in Haarlem, waarmee Jessica Kroskinski en ik literaire evenementen en festivals organiseren. Zo organiseren wij o.a. ieder jaar Poëziefestival Elswout.

Het was mijn droom om met een club dichters een tour te maken in de Verenigde Staten.

We zijn twee weken van New York naar Pittsburgh en terug gegaan, opgetreden, lessen gegeven. Het consulaat betaalde een deel, LIRA en het Fonds voor de Letteren. We hebben alles zelf geregeld. Ik heb gezocht naar dichters die iets met Amerika hebben, die goed voor kunnen dragen. Niemand kent je daar, dus de eerste indruk is je voordracht. Als laatste heb ik gekeken naar met welke dichters ik goed door één deur zou kunnen gaan. Je zit immers twee weken op elkaars lip. Tenslotte: wat ik vond dat de Nederlandse poëzie te bieden heeft op dit moment. Je kunt dan 50 andere kiezen, maar goed, het is een persoonlijke keuze in overleg met het Fonds voor de Letteren.

 

=

 

Nr. 5.

Als ik naar mijn handen kijk besef ik
dat deze handen nooit iemand zullen redden

Ik bid vaak tot God en als er al antwoord komt
komt het krakend in Morsecode binnen
M-A-Y-D-A-Y! M-A-Y-D-A-Y!

Ik probeer uit alle macht het water aan de andere kant
van het bad te houden, maar als de joker tegen de dief zegt
dat hij de pleiterik gaat, volgt de dichter

Mijn collega zingt dat wie niet springt geen jood is
Volgens een andere collega moeten alle joden aan het gas
in een stadion, op zondag of een andere willekeurige
doordeweekse dag, waarop we spruitjes eten met slavinken en
mayonaise

Ik tel tot tien en als ik mijn ogen open
ben je nog steeds een hufter

=

De eerst strofe zet je aan het denken. 

 

Wie ben ik eigenlijk en wat beteken ik voor een ander? Waar sta ik? Wat zal ik doen als de nood aan de man komt. Ik heb een grote mond, maar maak ik die waar?

 

Ik moet denken aan de SS-er die aan een vrouw vraagt één van haar kinderen te redden.

Wat doet ze? Wat zou ik doen in zo’n situatie. Ik hoop dat ik zou zeggen: ‘Zoiets mag je niet vragen, hufter!’ Dan schiet hij me dood en mijn twee kinderen ook, maar dat is zijn keus, niet de mijne.

 

Hoe moedig ben je? Hoe moedig ben ik?

 

God weet het ook niet, is ook in nood. Het water aan de andere kant van het bad houden?

 

Ja, met je handen het water opduwen, maar dat lukt niet, het komt meteen terug.

De dichter smeert hem.

Wie niet springt, op en neer, in het stadion, is geen jood. Dat zingen ze in een stadion, net als de andere tekst.

 

Het standpunt van de dichter van dit gedicht is duidelijk: hij vindt dat het, zacht gezegd, fout is. 

 

Ik vind het apart, dat als ik hier de straat zou oprennen met die tekst, ik binnen no time op de grond zou liggen, maar blijkbaar wordt het getolereerd in een stadion. We tolereren hooligan-geweld. Wie is hier nou gek? Als ik er tussen sta, zou ik misschien wel mee doen.

 

Toch staat de dichter in dit gedicht met zijn spot, eventueel zelfspot, aan de goede kant. Het is een veilige keuze.

 

‘Als ik naar mijn handen kijk besef ik
dat deze handen nooit iemand zullen redden’

Sta ik aan de goede kant als ik alleen maar een gedicht schrijf? Wat doe je als je aan de goede kant staat. Is veroordelen genoeg? Men zegt: ‘Alsof die joden in Israël van die lekkere jongens zijn’. Dat soort retoriek krijg je nu. En heel begrijpelijk, maar dat neemt het feit niet weg dat we het over gevoelige dingen kunnen en moeten hebben.

Jij bent een dichter en dus schrijf je er een gedicht over. Is dat voldoende? Ja. Niet als je een politicus bent.

Ik bereik wel een publiek van jonge mensen en als ik dit voordraag is er meteen een discussie over. Wat ik graag zie gebeuren met de gedichten uit Dolhuis is, dat er weer gesproken wordt over dingen.

Dat is een discussie die toch al gaande is, in de kranten, op tv en radio.

Hoe algemeen wordt het gedragen? Ik vind het heel interessant om er met mijn vrienden over te spreken. Sommige mensen zijn heel erg voor de vrijheid van meningsuiting. Zij vinden dat het gezegd moet kunnen worden. Ik denk: wat behelst vrijheid van meningsuiting? Het verbod op godslastering, daar moeten we vanaf.

Je mag niet tolereren in een democratische, redelijk fatsoenlijke samenleving als mensen in de stadions dat soort dingen roepen.

Ik vind van niet, maar als je vanuit een liberaal oogpunt kijkt, is het misschien anders. Ik heb niet voor niets Spinoza als rode draad in mijn bundel: De Ethica, maar ook Theologisch-Politiek Tractaat , waarin hij over staat en gelooft uitweidt. Het lijkt een simpel gedichtje, maar het triggert toch de discussie.

Wat zou je eigenlijk moeten doen? Het stadion binnengaan en protesteren, maar dat doen we niet, want dat durven we niet.

Ik zou zeggen: je weet precies wie het zijn. Nooit meer een voetbalstadion in. Wat ik het mooist zou vinden: als Ajax zelf een keer de bal oppakt en het stadion uitwandelt als zo’n spreekkoor klinkt. Het gaat ook om apengeluiden. Het is allemaal walgelijk. Niet naar de centen luisteren en naar de uitzendrechten. Jongens, ik ben er klaar mee. Ik doe niet meer mee. Het is een kleine stap, maar dat werkt.

Ja, je moet zeggen: ik wil niet in dit systeem functioneren.

Zo wil ik mijn poëzie schrijven. Ik maak mijn eigen dingen en als het je niet bevalt, schiet me maar lek. Over het engagement nog dit: je moet niet te veel invullen. De luisteraar moet zelf zijn standpunt bepalen.

Roel Weerheijm liet zich in zijn kritiek te veel leiden door het omslag. ‘Machismo’ heet zijn  stuk.

Anti-machismo. Het is een grote fout die recensenten maken: afgaan op de foto. De dikke knipoog naar mezelf en naar de lezer wordt niet gezien. Ik heb bokshandschoenen aan, maar ik sta er ook wat verloren bij. Je moet gedrevenheid niet verwarren met arrogantie. Mijn tatoeages zijn mijn totem. Het is voor mij een fotoboek. Op belangrijke momenten in mijn leven laat ik een tatoeage zetten. Meestal zie je ze niet. Een nieuwe geliefde moet even wennen. Ze vond het heel mooi. Ze had nog nooit een vriendje gehad die tatoeages had. Ik vind het leuk om een beetje verwarring te scheppen. Ik moest ergens voordragen en ik zat op de eerste rij. Kwam een man op mij af en die zei: ‘U hoort hier niet.’ Goed, ik stond op en ging op de achterste rij zitten. Toen het begon, was de organisatie in paniek, want er ontbrak een dichter. Ze noemden mijn naam en ik liep naar voren. Ik heb het ook in een boekhandel gehad. Ik liep over de poëzieafdeling en de boekverkoper kwam op me af: ‘Meneer, kan ik u ergens mee helpen, want dit is poëzie.’ Ik zei: ‘Ik kom even kijken hoe het met mijn bundel staat.’ Ik word er niet boos van. Ik vind het leuk. Ik snap het wel. Zelf maak ik me ook schuldig aan discriminatie. Iedereen plaatst iedereen in een hokje.

Over Elisabeth Kübler-Rosse en de vijf fasen van rouwverwerking. Je hebt deze gebruikt als ordening. Aanvaarding? Zit dat in de bundel?

Aanvaarding, berusting. Er zit aanvaarding van de dood in. Dat het leven eindig is, vind ik een moeilijk thema. Ik herkende die fasen en heb de bundel toen zo geordend. Ik ben van 90 naar 35 gedichten gegaan en ik moest een ordeningsprincipe hebben. Ik was aan het hardlopen in New York en dacht: die vijf stadia van rouw! Nr 26 is een gedicht over de dood van een baby, een achternichtje van mij. Het eindigt zo: ‘Ik durfde niet te praten met de vrouw die haar kind / en de man die zijn dochter in de aarde had gelegd’

Ik krijg er nog steeds kippenvel van. Een mooie begraafplaats. Mensen van mijn leeftijd, iets ouder. Er waren wel duizend mensen. Het was heel intens. Iedereen was oprecht geëmotioneerd, op zijn manier. Het heeft maanden geduurd voor ik er over kon schrijven. Ik ben diep gegaan. Paste het wel in Dolhuis?

Ik denk van wel, omdat het krankzinnig lijkt dat een kind wordt geboren en zo jong moet sterven. En kijk eens wat je doet in de laatste strofe. Er is bijna woede over de onverschillige kosmos: ‘Ik weet niet of die dag de zon scheen / maar je wees me erop dat de sterren / zo mooi en kalm die nacht’.  En dan breekt het af.

Spinoza: God is natuur en natuur is God. De natuur is een bitch. Of het is een aanleiding tot berusting. Zo is het en allerlei particuliere gevoelens doen er niet toe. Het maakt niet uit. Natura naturata: we moeten ons als mens niet buiten de natuur plaatsen.

‘Ik viel uit mijn stem en brak voor je voeten’; dat doet me aan Kouwenaar denken.

Klopt. Ik laat me beïnvloeden door de dichters om me heen. De daadkracht van zijn taalgebruik staat me heel erg aan.

Volgens Weerheijm (schreeuwen) de meeste gedichten in deze bundel (…) de pretentie uit urgente dingen te zeggen over allerlei maatschappelijke misstanden’. Dat ben ik niet met hem eens: er is geen pretentie.

De wil om urgente dingen te zeggen, maar zonder het vingertje van dit mag niet, dat mag niet.

‘Nederland erkent de internationale rechten van de mens / Nederlandse politici wisten van de geheime martelvluchten / van de CIA’  Is dat niet eerder een tweet?

Een corrector zei: ‘Dat is toch algemeen bekend!’ Ja, dat is juist zo shocking. Dat er niets mee gebeurt. We durven naar China te vliegen om te zeggen dat ze daar iets aan de mensenrechten moeten doen, maar ondertussen heb je die doorvoer van die terroristen, die buiten Amerika helemaal gek gemarteld worden. Ik kan slecht tegen onrecht.

‘Volgens veel Nederlanders heeft de Kristallnacht / iets te maken met kerst.’ Dat is natuurlijk verschrikkelijk. Je hoeft het alleen maar te noteren.

Blijkbaar is het niet meer urgent om dat te vertellen als geschiedenisleraar of men zegt: ach, die oorlog is zo lang geleden… Dolhuis gaat over geestelijk failliet. Wie maakt zich nog druk over de vader van Maxima? Of over ons koningshuis? Niet dat ik zo’n hekel heb aan Beatrix, maar het instituut! Democratie en monarchie gaan niet samen. Een constitutionele monarchie is een fabel. Maar als je er over begint met mensen, halen ze hun schouders op.

Ik heb gehockeyed op een club in Bussum. Die is tussen ’38 en ’45 geleid door een NSB’er. De voorzitter is vervolgd, terechtgesteld, heeft zijn zonden bekend en hij is tenslotte gerehabiliteerd. Als ik met mijn familie op het veld stond en zijn kleindochter was aan het hockeyen, werd er gefluisterd: ‘Dat is die kleindochter van die NSB’er.’ Over Maxima mag ik niet zeuren. Zij kan er niks aan doen, maar ze heeft wel geprofiteerd van het geld en de stand. Als Hitler een dochter had gehad en die was getrouwd met Willem Alexander? Ja, dat is een ander verhaal. Hoezo anders?

In het gedicht heb ik het over de piloot en het watermanagement, maar dat is een grap. Het is met opzet een lelijk gedicht.

==

Nr1

 

Vorm aan je leven geven een cirkelredenering?

Een onbehouwen vuist, het tijdsgewricht?

De genatuurde natuur, insomnia

 

Er schampte zojuist een pijl mijn kin

Had ik vier poten, dan ging ik op een draf

 

Zwaaien gaat niet meer. Er hangen volle tassen

aan mijn strakgespannen armen. Er vliegen vogels op

 

de vlucht, het zoveelwekenplan voor elke afstand

Wanneer wordt dit gesmeed?

 

De tips, het schema, de rekensom

We tellen af. Het land in rep en roer

 

Ik verloor alle schaamte, ik verloor ieder antwoord

 

Ik kom handen tekort en geen angst zo groot als

dat je droomt dat we in slaap worden gesust

wat je tilt uit handen valt

 

=

Het belangrijkste gedicht van de bundel.

‘een cirkelredenering?’ want je komt altijd weer bij jezelf uit?

In je leven wordt alles herhaald. Er zijn patronen waar je in terecht raakt en waar je heel moeilijk uitkomt. Er moet echt iets gebeuren, wil je uit je patroon stappen. Je bent wie je bent, maar je kunt ook bedenken waar je nu mee bezig bent. Er kan iets gebeuren. Dat zijn de gebeurtenissen waarover ik het heb in de bundel, de gebeurtenissen die je wakker schudden. Ik heb er commentaar op, maar waar sta ik zelf? Wat kan ik er aan doen? De pijl. Ik word beschoten en ik weet niet waar het vandaan komt. Ik zou wel willen vluchten. ‘Er hangen volle tassen’; wat je filtert uit je omgeving en wat doet dat met jou. Massaconsumptie. Wat sjouw je allemaal mee aan tv-beelden, krantenartikelen, aan onlust. Het is een geestelijke crisis.

‘De tips, het schema, de rekensom’: Ik moest denken aan het werk waarmee je geld verdient op een bank.

Ik schrijf dreigingsanalyses over landen, gebieden en personen.

‘Ik verloor alle schaamte, ik verloor ieder antwoord’:  je staat naakt, je weet het niet meer.

Een gevoel van onmacht over de poitiek maatschappelijke situatie en over mijn eigen poëzie en die van anderen. Daar sta je dan: zwaar gestresst, met gespannen armen, met die bagage en wat doe je er mee? Dit is als het ware de index van de bundel.

Er staan ook gedichten in waarvan ik denk: dat is een mooie tweet.

Een tweet? Die schrijf ik niet.

‘Volgens zijn dokter was hij allergisch voor de echte wereld / en kon hij doodgaan als hij daarin zou moeten leven’

Dit gaat over een bankier die zijn zuurverdiende bonus niet wil inleveren. Treffend. Is het poëzie? Het is zeker veelzeggend. Youp van ‘t Hek.

Als een bankier zegt, tijdens de crisis: ‘ik heb niks fout gedaan’ , raak je precies de kern van het probleem. ‘stervende negertjes vindt hij vies’

De nieuwe bundel is weer heel anders? 

Ik heb wel bedacht wat ik wil, maar het kan over een half jaar anders zijn. Ik merk dat ik heel graag in een thema wil schrijven. Ik heb een werktitel: ‘Ontsla me van alles wat ik lief heb’. Het gaat over de periode, waarin ik een dierbare heb verloren, ik ben gescheiden en twee keer verhuisd en had problemen op mijn werk. Ik heb een nieuwe liefde gevonden. Er is in die periode zo ontzettend veel gebeurd, dat ik goed naar mezelf moet kijken wie ik ben en waar ik sta. Daar ben ik nu mee bezig; verwerking van afscheid. Je verlies nemen, opkrabbelen en verder gaan in het leven. Een afdelingstitel zou kunnen zijn: ‘Berichten uit de oude wereld’. Als je voorwaarts wil, word je geconfronteerd met je verleden, je angsten, je onzekerheden. Het wordt vrij kort van taal. Het gaat misschien verder waar Tastzin is geëindigd. Nog korter, elliptisch taalgebruik. Niet meer de krantentaal. Het gaat misschien meer richting Kouwenaar. Ik wil de taal uitkleden, dan komt het veel meer bij de emotie, bij de onderbuik. De lange gedichten in Dolhuis zijn anders, die moesten er uit. Dit wordt meer bezonken. Ik heb veel geaccepteerd en vanuit die rust kan ik nu schrijven. Ik heb dertig gedichten, maar ja, ik moet drie jaar wachten. Dat is ook wel goed, dan kan het bezinken. Het kan zelfs langer duren, dit project, omdat er nog heel veel achteraan komt.

===============

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Weerzin en woede: Menno Wigman

Weerzin en woede

 

 

Menno Wigman (1966) is dichter, vertaler en essayist. In 1997 debuteerde hij met de veelgeprezen bundel ’s Zomers stinken alle steden. Voor zijn bundel Zwart als kaviaar (2001) ontving hij de Jan Campert-prijs. In 2010 verscheen Red ons van de dichters, een bundel beschouwingen waarover Het Parool schreef: ‘Zolang Wigman dicht en schrijft over dichten, komt het met de poëzie wel goed.’

 

 

                                    Daarop vroeg Hij hem: ‘Wat is uw naam?’

                                    ‘Mijn naam is Legioen, want wij zijn met velen.’

 

                                                                              Marcus 5:9

 

 

Je gebruikt een citaat uit Marcus: ‘Mijn naam is Legioen’. De duivels worden in varkens gedreven en storten in de afgrond. Het is een beeld. In het gedicht ‘Nachtrit’ komt het voor. Dat heb ik begrepen als alle mannen die op seksuitzijn.

Maar ook de dichter is bezeten door demonen.

 

Het wordt daar oneigenlijk gebruikt. Ik heb het citaat eerder als motto gebruikt in een logboek over mijn verblijf als writer in residence van de psychiatrische kliniek van Den Dolder. Het heeft daar echt met waanzin te maken. In deze bundel staat een reeks gedichten die inderdaad over waanzin gaat, maar in dit specifieke gedicht gebruik ik die woorden meer om er een Elckerlijc mee op te voeren. 

   Er is niet één zo’n man: ze zijn met velen.

 

Nachtrit

 

Man, eenentwintigste eeuw, kaal, gezet

en met een onvervreemdbaar recht op seks 

(‘Mijn naam is Legioen, wij zijn met velen’),

jaagt door de late nacht over de weg 

en wil zijn lichaam met gevrouwte delen. 

 

De pompen van de Shell. Het pooierslicht.      

Vol moed een meisje achter glas betalen. 

Vol moed aan nieuwe vrouwen denken, echt, 

elektrisch, kil, verhit, maar denken, denken –

een hersenhond, onthand en underfucked,

 

al jaren in zichzelf verongelukt, 

maar met drie namen in zijn telefoon, 

drie namen vol belofte van geluk. 

Hij belt. Zijn recht op seks. Op scherpe meiden. 

Waarom heb ik toch medelijden?

 

 

Hij jaagt over de weg, hij wil zijn lichaam met gevrouwte delen. Hersenhond, dat is een mooie vondst. We zijn dieren die kunnen denken.

 

Het gaat over een man die ’s nachts over de snelweg dwaalt. Hij heeft drie namen in zijn telefoon, vrouwen naar wie hij toe kan. 

 

De dichter vraagt: ‘Waarom heb ik medelijden met die man?’

 

Ik dacht ook dat het een metafoor is voor de dichter zelf. Hij is bezeten door vele demonen. Door wie moeten ze worden uitgedreven?

 

De slotregels zijn de allerlaatste die ik voor deze bundel heb geschreven, op het Gare du Midi in Brussel als je het precies wilt weten. De demonen moeten gevangen worden in strakke gedichten. De taal moet orde brengen in de meest verwarrende gedachten. Maar of ik mijn beelden ook in de hoofden van de lezer  kan jagen zou ik niet durven zeggen.

 

Dan volgt daarop het gedicht ‘Tiergarten’.

 

Tiergarten 

 

Stof, roet, stormvuur. Het apenhuis in puin. 

Verbrande panters. Zebra’s zonder huid. 

         Diep onder rokend gruis

hemelt een olifant, een hert hinkt weg   

en op het kerkdak hekst een condor rond. 

       

De vleugels met het luik, ze zijn weer thuis

en laten doodgewone jongens uit. 

         Verdoofd aarzelteen aap 

zijn ogen bij elkaar, een jakhals sluipt 

een bioscoop voorbij, de hitte blijft. 

 

Werd er gesproken, later, aan het graf,

niet bij de leeuwen die we moesten doden.        

         Maar door de grachten zwom

een zeeleeuw en een condor hield een preek.

         Het hele apenhuis bezweek. 

 

 

De helft van deze bundel is in Berlijn geschreven. Ik zit veel in Berlijn, maar dicht er niet vaak over, daar is de stad te immens voor. Het is misschien meer de stemming waarin ik daar soms verkeer, die tot deze gedichten heeft geleid.

 

Het gedicht lijkt te gaan over de dierentuin.

 

Dat doet het ook. 

 

Het is ook een metafoor voor de situatie daar:’ puin en stof’. De bombardementen van ’45.

 

Het apenhuis is inderdaad een metafoor voor de mensheid. Eén grote gekte, chaos. 

 

Je hebt daar als dichter de ‘genius loci’ gevoeld.

 

De laatste vijftien jaar wordt er veel geschreven over de bombardementen op Duitsland. Een van de eersten die het aankaartte was W.G. Sebald. Die heeft het ook ergens over een dierentuin. Zo kwam ik op het spoor van de memoires van de directeur van de Berlijnse Tiergarten. Een hoofdstuk uit dat boek gaat over de chaos die ontstond toen de geallieerden daar hun bommen op lieten vallen. Hij schrijft ook over de verzorgers in de dierentuin. Het is een onwaarschijnlijk drama geweest. 

   Na Sebald schreef de historicus Jörg Friedrich ‘Der Brand’ (2004). Dat boek heeft veel losgemaakt in Duitsland. Later heeft Friedrich ook een fotoboek gepubliceerd. Daarin zie je afschrikwekkende foto’s van die dieren. Kijk, hier zie je een foto van die olifant ‘die hemelt’. 

   Dieren roepen soms hevige gevoelens op bij mensen. Dat is een merkwaardig verschijnsel. Het geeft voor mij de waanzin van de oorlog heel prangend weer.

 

Je woontin Prenzlauerberg.

 

Ik huur daar een woning met vijf andere mensen. Per e-mail gaat er een schema rond. Sommige huurders werken aan biografieën of scenario’s, sommigen schrijven verhalen. Er zijn daar redelijk wat manuscripten afgemaakt. Het wonderlijke van die woning is dat iedereen daar onwaarschijnlijk geconcentreerd kan werken. Er hangt ‘ein guter Geist’. 

   Soms denk ik wel eens dat er een schrijver of een begenadigd journalist heeft gewoond. Ik zit er soms twaalf, dertien uur per dag aan mijn gedichten te werken. Er is geen tv, geen internetaansluiting, niets dat je kan afleiden. Het is een ideale ruimte om buiten de tijd te vallen.

   Het huis staat in voormalig Oost-Berlijn. De straat is helemaal opgeknapt, behalve dit huis. We betalen dan ook amper huur.

 

Hitlermüde 

 

Berlijn. Ik had geneukt en nam een douche.

Toen sloop de Holocaust weer in mijn hoofd. 

Ik zag mijn pik en telde tegels, wit,

ze waren wit, ik telde en een mist 

van ademnood vertroebelde mijn zicht. 

 

Ik las ik weet niet hoeveel boeken, bleef                      

maar in het leven van Adolfus wroeten,    

de zeven scheppen suiker in zijn thee,

Geli, Eva, teelbal, spuuglok, zweep – wat                 

moest ik ermee? Hier onder deze douche, 

 

hier in een warm en doordeweeks Berlijn,                    

hier gleed mijn schaamte in een doucheput weg, 

kon ik nooit laks, te laat of schuldig zijn.      

En licht en fris en hevig Hitlermoe

stapte ik weer op haar kamer toe.      

 

Van de oorlog en Hitler krijg je op een gegeven moment genoeg. ‘Hitlermüde’.

 

Berlijn is een fascinerende stad, maar er zijn zo veel monumenten, bordjes en alles, Stolpersteine, koperen plaatjes in het trottoir van de huizen waar joden woonden, dat het je soms gaat duizelen. Je kunt er hoe dan ook niet aan ontkomen. Ik vind het misselijk om van een Holocaust-industrie te spreken, maar soms kom je om in alle ellende van het verleden.

 

Dit is de chaos van de politiek en de Wereldbrand. In de vierde afdeling van je bundel gaat het over de chaos in hoofden. Den Dolder.  Je schrijft: ‘Er zijn gevoelens die fascistisch zijn.’  

 

=======================================================

‘Toen ik hier op de eerste dag wegwijs werd gemaakt door Boudewijn van Grunsven, de zakelijk leider van Het Vijfde Seizoen, bezwoer hij me dat er één plek was waar ik beter niet naartoe kon gaan: het zwembad. Daar zouden zwakzinnigen hun urine verliezen en kreeg je voor je het wist afbraakstoffen van allerlei soortenmedicijnen binnen. 

   Juist het beeld van een zwembad vol zwakzinnigen riep meteen een gedicht in me op. Misschien paste het wonderwel bij de andere gedichten die ik over een supermarkt, een vuilstort en een reactor schreef. Waar het zwembad precies ligt blijft onduidelijk, ook de portier kan me niet helpen. In het café spreek ik wat Doldenaren. Niemand weet iets van een zwembad in zijn dorp. Uiteindelijk ontdek ik dat het achter het heuveltje bij mijn paviljoen ligt ().  

   Omdat ik tot diep in de nacht zit door te tikken kwam het er tot nu toe niet van het zwembad te bezoeken. Maar vandaag liep ik tegen het eind van de middag het zwembad binnen. Dagenlang had ik me over de vraag gebogen hoe ik mezelf moest introduceren. Uiteindelijk leek het me het beste te zeggen dat ik hier graag wilde zwemmen en dat ik benieuwd was naar de zwemtijden, misschien moest ik me zelfs voordoen als een onnozele ziel die, Wigman waar begin je aan, op het terrein verdwaald was.

   Geen portier of badmeester te zien. Wel twee pezige jongens die achter een glazen wand in het zwembad krampachtig proberen te zwemmen. Als ik een witbetegelde, naar chloor en droeve jeugdherinneringen ruikende gang in loop, hoor ik opeens een onmetelijk, bijna voorwereldlijk gebrul achter me. 

   Snel loop ik door. Ik kom bij een kamertje waar drie vrouwen shag rokend de dag zitten door te nemen. Zo stupide mogelijk vraag ik naar de uren waarop ik hier misschien zou kunnen zwemmen. Het gebrul, ondertussen, houdt goedaan. 

   Een voyeur ben je, dacht ik, een vuile voyeur die hier een beetje komt kijken hoe zwakzinnige jongens baantjes trekken – en zo was het ook. Nooit eerder had ik zo’n waardering voor journalisten die op de vreemdste plaatsen de meest onbetamelijke vragen moeten stellen. 

   Het lukt. Dat ik hier niet kan zwemmen, dat verbaast me niet eens zo, het lucht zelfs, met al dat gebrul door die gangen, wat op.     

   Wie weet moest ik Erik Jan eens spreken,een kleine man met een vriendelijk rond gezicht, goede kans dat hij hier door het gebouw loopt, hij kan me vast vertellenof ik hier misschien toch kan zwemmen.

   Ik loop terug naar de glazen wand en zie een diepgelukkige jongen in het water. Dunne, spitseschouderbladen, een witte ribbenkast en twee felle,nagenoeg extatische ogen. Nirwana, wit nirwana. 

   Dan loop ik Erik Jan tegen het lijf. Opnieuw vraag ik zo dom mogelijk naar de zwemtijden. Er ontspint zich – misschien had ik toch diplomaat moeten worden – een lang, heel lang gesprek, we sluiten later zelfs samen af. Over zwembadtijden gaathet, over het regelen van de juiste temperatuur, over zijn vader en grootvader die ook al op de Hoeve werkten, een woord als ‘flatneurose’, catatonische Marokkanen, de komst van de euro, vakanties in Drenthe, zijn dochter die nog van bijles opgehaald moet worden.

   En al die tijd kijk ik stiekem naar de jongen in het bad en steek ik stiekem een nieuw gedicht in mijn zak. Inmiddels, we zijn twee weken verder, staat ook de laatste regel er:

 

Zwembad Den Dolder

 

Er zijn gevoelens die fascistisch zijn.

De vader die niet weet waarom hij slaat,

de zoon die half verblind in foto’s krast.

 

De mooiste idioot die ik ooit zag

lag op zijn rug een heel heelal te zijn.

Geen vader kreeg ooit greep op deze pees

 

die als een kosmonaut het bad door dreef,

geen moeder stookte in zijn vissenkom.

En wit en scheef en wijs zwom hij. Hij zwom.’

 

(Uit: ‘Het gesticht. Drie maanden Den Dolder’, Prometheus, 2007)

 

====================================================== 

  

 Het deed me denken aan Vasalis’ ‘De idioot in bad’.

 

 Dat speelt ook mee.

 

‘De waanzin zelf gaat goed gekleed. / Zijn werk vergt tact, precisie ook. / Dus kruist hij namen aan.’ Bijna ook een relatie met Hitler. Vreselijk dat dat kan. Dat de schepping zo is. Luther die met zijn inktpot naar de verschijning van de duivel gooit. Feith met zijn grafgedichten. Overal zijn demonen.

 

‘tot jou en mij geen mens / die zijn stramien begrijpt.’

 

Deze gedichten zijn vrij oud, die heb ik geschreven toen ik als gastschrijver in Den Dolder zat. Ik kreeg te horen dat ik overal mocht komen, maar er was één plek die me werd afgeraden en dat was het zwembad, want daar zouden allerlei stoffen in het water zitten van medicijnen. Dat sprak natuurlijk tot mijn verbeelding. 

   Het was de bedoeling dat ik me liet inspireren door de cliënten en ook iets met ze ondernam. Dus sloot ik mijn verblijf af met een voordrachtmiddag. Buitengewoon aangrijpend. Ik was er ruim drie maanden. Ik heb daar ook wel angsten doorstaan. Wat meespeelde was dat ik ben opgegroeid in Santpoort, waar in mijn jeugd een van de grootste inrichtingen van Nederland stond. Sinds een jaar of zes is die inrichting opgeheven. Op de een of andere manier zat ik in Den Dolder mijn jeugd opnieuw te beleven. Maar toen ik na al die maanden weer in Amsterdam terugkwam, dacht ik: dit is toch de grootste open inrichting. 

 

Godverdedomme

 

Blinde, dove, rodmoordenaar & rover

van all wat ik bezit, ik waarschuw je. 

Crisofreen & manisch, zoals jij beweert.

 

Maak dat manisch en crisofreen maar eens 

duidelijk waar; en schrijf mij de symphtonen

eens op papier, stuk verdriet & Leugenaar.

 

Dat durf je niet. Schrijf me op Papier 

dat ik z.g. ziek moet zijn, volgens jouw

dubbele gespleten Judastong.

 

Dat kun en durf je niet. Weg wil ik, 

dan van jou, en met ontslag gaan

vanuit dees Dodendal, vol mensen 

 

die door jou begiftigd zijn.

Ik wacht dierek op antwoord. 

Schriftelijk. Godverdedomme.

 

‘Godverdedomme’; dat lijkt wel een ready-made.

 

Dat is het ook. Een cliënt leende me een grote stapel brieven en dit is er een van, maar dan in strofen opgedeeld. Ik wilde al langer een gedicht maken over een cliënt die één grote tirade zou houden tegen de directeur van de kliniek. Zoiets komt vaak voor. Dit was gefundenes Fressen voor mij. Ik geniet nog altijd van die heerlijke spelfouten, hoe wanhopig de aanklacht ook is.

 

Ver van de steden trekken bomen tegen bomen op. 

               Takken, wortels, alles wurgt 

elkaar, struiken vechten en verdelgen, gras wint alom veld. 

   Niks ruikt naar God. De aarde neemt een nieuw begin.

         De dieren voeren eensgezind een paspoort in. 

 

De chaos van de natuur.

Niks ruikt naar God. De chaos van deze wereld. De wereld deugt niet. Of de schepping deugt niet. Je bent niet voor niks een groot liefhebber van Schopenhauer.

 

Die ben ik pas vrij laat echt gaan lezen. Hij maakte een meer dan diepe indruk op me. Ook omdat het zo briljant opgeschreven is. Onontkoombaar. Veel van die Franse decadenten lazen Schopenhauer ook. Hij was een veelgelezen auteur eind negentiende eeuw. De wilskracht van elke plant is de wens om te overleven, ten koste van alle andere. 

 

Nu over de gedichten over eenzame doden. Ook dat is chaos. Wat heeft je bewogen om mee te doen aan het project van F. Starik?

 

Ik ken Starik al heel lang. Begin jaren negentig hadden we een band, de Willem Kloos Groep. Met die band zetten we uitsluitend gedichten van dode dichters op muziek. Ik was de drummer en droeg soms zelf ook gedichten aan.

   Het idee van de eenzame uitvaart is afkomstig van Bart FM Droog en stamt uit de tijd dat hij stadsdichter van Groningen was. In Amsterdam heeft Starik een stichting in het leven geroepen. Ik vond het meteen een schitterend idee. Het heeft iets heel barmhartigs. Wat je er tegen in zou kunnen brengen, is dat de dode er zelf niets aan heeft. Er zijn ook mensen die bewust antisociaal leven. Het zou best eens kunnen dat sommige mensen een uitvaart wensen waar geen ziel bij komt kijken. Maar goed, dat het idee zo aanspreekt komt, denk ik, doordat het voor de meeste mensen een schrikbeeld moet zijn om door alles en iedereen verlaten te overlijden. Ik vind het een heel humanistisch, een heel mooi gebaar. 

 

Barmhartigheid. Dat heeft een christelijke smaak.

 

Ik heb geen religieuze opvoeding gehad.

 

Maar diep in jou en waarschijnlijk in alle dichters zit de gedachte dat het niet alleen maar materie kan zijn. Er moet iets van geest zijn. Geen persoonlijke God, maar een ‘superbewustzijn’ of hoe je het ook moet noemen.

Waar komt die barmhartigheid vandaan? Er zijn politici die zeggen: ‘Sodemieter op, schuif die junks en criminelen in een graf, zand er over en dan hoef je maar twee mensen te betalen.’ Starik schrijft in zijn nawoord: ‘En waarom subsidie?’ Een dichter moet betaald worden, net als de kistenmaker of de koffiejuffrouw.

 

Het zegt iets over onze samenleving. Ik denk dat met die eenzame uitvaartgedichten een volstrekt nieuw poëziegenre is ontstaan, uniek in de hele wereld. Poëzie raakt in dit geval aan de samenleving, hoe mensen met elkaar omgaan, hoe mensen bewust of onbewust vereenzamen. Als je daar naast een kist staat, in een lege aula, dan volvoer je een ritueel dat volstrekt anders is dan wanneer je voor een publiek staat te lezen. Je zou haast kunnen zeggen dat je als dichter, al is het maar voor een paar minuten, een geestelijke vervangt. 

   Weet je wat me altijd zo verbaasd heeft? Dat er in Rotterdam, waar het project sinds een paar jaar is overgenomen, bijna geen enkele eenzame uitvaart heeft plaatsgevonden. Vreemd, heel vreemd, want in mijn ogen is Rotterdam toch heel wat harder dan Amsterdam. Er moeten daar ongetwijfeld verstekelingen om het leven komen. Het is een internationale havenstad. Maar wat blijkt? Laatst ontdekte Ester Naomi Perquin, de huidige stadsdichter van Rotterdam, dat de gemeente telkens een dame van het stadsdeel naar zo’n uitvaart stuurt, zodat ze kunnen zeggen dat het helemaal niet om een eenzame uitvaart gaat. Die onzin met die dichters ook!

   In Groningen is het rustig gebleven. De stadsdichter daar leest af en toe. In Den Haag ook. Maar in Amsterdam gaat het maar door.

 

Het is dat men de straten kent

 

Daar heeft die man gelegen, dag en nacht – 

na tachtig kranten vond men hem, plat, zwart,

met op zijn borst de laatste resten van een kat.  

 

Daar, in diezelfde straat, staat ook een kerk 

waarin laatst camera’s zijn aangebracht.

Slaapt God? Nee, er zijn dieven onder ons

 

die – Alziend Oog of niet – naar zilver spieden,         

kandelaars en kanselbijbels roven        

en Christushoofden van de wanden slopen.        

 

Je bent er niet. Of als ik het niet zie, 

hoe komt het dan dat in haast elk pand

waar je geprezen wordt een loeroog hangt?

 

Je bent er niet. En mocht ik niet goed kijken,

soms denk ik aan die ziel die drie hoog dood lag,

hoe daar een metgezel maar zwierf en kwijnde,

                                                   

toen heel zijn vacht tegen een borst aan vlijde. 

 

Dit gedicht gaat over je woede. Ziet God niks? Is er geen God die zich barmhartig over ons buigt? Dat zie ik in al je werk terug: woede en weerzin.

 

Goed gezien. Maar dit is een ander soort eenzame uitvaart-gedicht. Toen het project in Rotterdam van start zou gaan, was er een gesprek met mensen van de gemeente en ergens in dat gesprek liet een ambtenaar zich ontvallen dat er ooit een man was aangetroffen in een woning, drie hoog. Hij lag midden in zijn kamer. Op zijn rug. En op zijn borstkast lag zijn kat. 

   Dat beeld is me wekenlang bijgebleven. Ik moést erover schrijven. 

   Het gaat ook over diefstal van religieuze voorwerpen. En dat er in heel wat kerken in Nederland bewakingscamera’s zijn opgehangen. 

   Er is sprake van woede, zeker, maar het is geciseleerde woede anders zou het geen poëzie zijn.

   Het tweede motto van mijn bundel geeft die woede ook weer, het heeft een schitterende cadans, maar is zo simpel als wat. Het is van Johnny Rotten: ‘Fuck this and fuck that / Fuck it all and fuck the fucking brat’.          

 

 

Medelijden met de lezer 

 

Een boek? Van kaft tot kaft? Ik mis de kracht.

Zelfs een gedicht mat nu al af. Ik denk 

dat ik me aan gedichten overat, 

zit maar te staren naar mijn boekenkast 

en lijd al maanden aan een reader’s block,   

 

zo hevig dat ik haast van letters kots.

 

En dit gedicht dat geen gedicht wil zijn,

dat op zijn rug ligt en geen daglicht krijgt,

in godsnaam, wat moet ik ermee? Geef toch toe 

dat je steeds stroever woorden aan elkaar reeg, 

toen moe werd van je delicate geest, 

 

toen medelijden met de lezer kreeg.

 

Dinsdag. De stad begluurt de stad. Niets doen. 

Niets willen doen. Dood van een jongensdroom. 

Eerzucht. Begeerte. Alles doorgebrand.

Iets met verdwaasde hoogmoed, dunne roem 

en een goddelijk trauma dat ik niet noem. 

 

De manieren om afgeleid te worden zijn zo hevig toegenomen dat ik me oprecht afvraag hoe iemand een boek van driehonderd pagina’s kan lezen. Ik maak me soms echt zorgen. 

 

Zo’n tweede strofe: staat die er meteen? 

 

O nee, er zijn wel zestig probeersels. Ik zit vaak als een stratenmaker van a tot z te werken. De eerste zin heb ik soms al heel lang en het beeld of de beelden die ik wil beschrijven draag ik ook vaak al langer met me mee. Bij dit gedicht, in Berlijn geschreven, stonden de eerste vier regels er al vrij snel. Maar opeens loop ik vast. Ondertussen maak ik aantekeningen, schrijf ik allerlei sleutelwoorden boven het gedicht. Vaak heb ik al na een stuk of zeven regels de slotregel. Ik werk dus bewust ergens naar toe. Maar het is een vreselijk gezwoeg, soms op het pathologische af. Misschien ook wel omdat ik alles probeer te vangen in vijfvoetige jamben, in mijn ogen de gulden snede voor de Nederlandse dichtregel.

   Ik doe er alles aan om de klanken naar elkaar te laten lonken. Vaak gebruik ik halfrijm, dat heb ik van Maurice Gilliams en Charles Ducal. Bijna altijd staand of mannelijk. Dat is robuuster. Agressiever ook. 

   Na de eerste strofe heeft het misschien een maand of twee geduurd voordat de tweede kwam.

   Het gedicht is opgebouwd in drie strofen. Je beweert iets in het begin. Dat zijn soms provocatieve mededelingen en dan ga je daar in de volgende strofe tegenin. En op het einde probeer ik vaak een mooi afgerond geheel te maken: these-antithese-synthese, zoiets. Als een gedicht maar doorkabbelt, als een lieflijk beekje, kan het natuurlijk ook fraai zijn, maar volgens mij wordt het spannender als je jezelf in de rede valt.

 

Je hebt twee jaar les gegeven aan dichters?

 

Ja, in Delft. Een fraaie bijkomstigheid is dat ik al lesgevend veel over mijn eigen gedichten kwam te weten.

 

Er zit iets paradoxaals in het schrijven van poëzie. Waarom zou je het doen? Weinig mensen lezen het. Wat voor hoogmoed is het? ‘Iets met verdwaasde hoogmoed’,‘dunne roem’.

Een eenzame dode vraagt het ook aan de dichter die voor hem leest: 

 

‘En u die nu uw hoge woorden weegt, 

u die hier droog een stuk muziek afspeelt,

u die mijn romp versleept en daarna toch weer  

woorden heeft: deze dode doet niet mee.’

 

In je essaybundel ‘Red ons van de dichters’ zet je je ook af tegen het opdringerige van poëzie in de samenleving.

 

Ik vraag me af of poëzie wel het juiste middel is om je woede te uiten. Veel poëzie glijdt als babyolie langs je heen. Daar moet je je voor hoeden.

 

Je zegt ergens dat je een goede leraar Nederlands hebt gehadop het gymnasium. Hij heeft jou tot de poëzie gebracht. Als je die nou niet had gehad?

 

Dan was ik nu het brein achter een grote criminele organisatie geweest. Maar goed, hij was een groot didacticus. Op een middag deelde hij onder de leerlingen de bloemlezing van Gerrit Komrij uit en zei toen: zoek een gedicht uit dat je ronduit slecht vindt. Ik stuitte op een vermolmd sonnet van Bastiaan van Heyningen (1865-1889) en ik moest het toevallig als eerste voorlezen. Toen ik de woorden hardop uitsprak, merkte ik dat ze door een geheimzinnig ritme werden voortgestuwd. Het zat behoorlijk ingenieus in elkaar en het rijm had iets bezwerends. Ik geloof dat de poëzie mij toen veroverde.

 

(Thuis zie ik dat het gedicht geschreven is in een vijfvoetige jambe. )

 

Ik schreef mijn naam vroeger met ch, opdat de mensen zouden denken dat ik een kleinzoon van Erich Wichman was. Hij is de schrijver van ‘Het witte gevaar’, een meedogenloos schotschrift tegen Hollandse ‘melkgebruikers’. Hij noemde zichzelf een principieel alcoholist. 

 

Je bundel begint heel provocerend met een gedicht dat‘Tot mijn pik’ heet. Waarom doe je dat?

 

Ja, waarom doe ik dat? Om meteen met de deur in huis te vallen. Om al bij de voordeur van mijn bundel te waarschuwen dat ik geen ‘lieflijke dichter’ ben. Het gedicht is een resumé van een periode van diepe neerslachtigheid. En het gaat ook over dichten. 

 

Geloof je echt dat poëzie kan provoceren?

 

Lijkt me wel. Door de hele geschiedenis heen. 

 

Je begon als punker, had een hekel aan vage hippies. Protest tegen een verkeerde wereld is een constante in je werk. De enige manier om de wanhoop te bezweren is het schrijven van stevige gedichten.

‘Zocht ik een woord voor alles waar geen woord voor is,schrijf je in datzelfde gedicht. Waarom dan dichten?

 

Omdat ik niet veel anders kan. Trouwens, in datzelfde gedicht staat ook: ‘Ik wil geen weemoed die niks kost.’ Dat is voor mij een sleutelzin. Er is sprake van een weemoedige toon, goed, maar het mag nooit vrijblijvend zijn. 

 

 

 

 

============

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Ellen Deckwitz

Handen en religie

Ellen Deckwitz (Deventer, 1982) groeide op in Borne. Ze studeerde Nederlands in Groningen en voltooide daarnaast een Research Master of Science in de Literatuur- en Cultuurwetenschap.

Ellen is een befaamd podiumkunstenaar. Ze droeg haar poëzie voor, uit het hoofd, in binnen- en buitenland, onder andere op Lowlands, de Nacht van de Poëzie, De Wereld Draait Door, Poetry International. Nightwriters en de Museumnacht van Amsterdam. In september wordt zij ingevlogen door de consul van Mongolië om daar op te treden en te touren.

In 2009 kreeg zij de Meander Dichtprijs toegekend voor haar poëzie. Eind 2009 won zij het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam en verbeterde ze het Nederlands record voor de meeste gewonnen poetry slams in één jaar tijd. Voor haar bundel De steen vreest mij ontving ze de C. Buddingh’-prijs 2012 voor het beste poëziedebuut van het jaar. In oktober verschijnt Hoi feest.

Tegenwoordig woont en werkt Deckwitz in Utrecht.

=

Ik heb gekeken op internet en zag dat je op Facebook een afbeelding had van het gevecht van Jacob en de Engel. Met wie identificeer je je?

Met Jacob. Het gevecht met God en indirekt het gevecht met je eigen ego; dat je zelf groter denkt te zijn, maar je kunt het niet opnemen tegen je grenzen.

Ik ben niet per se religieus, al hoewel er een enorm grote kans is dat God bestaat, maar de engel staat voor alle vooronderstellingen die je van je zelf hebt, wat je van je zelf moet zijn, van wat je moet liefhebben  en haten van je zelf en van derden natuurlijk, om niet buiten de gemeenschap te vallen. Dat is de eeuwige worsteling. ik weet niet of je bekend bent met het werk van de Franse filosoof Blanchot. De engel is het Buiten . Alles wat we niet kunnen benoemen, maar waarvan we wel aanvoelen dat het er is. Dat is een worsteling en dat maakt ook heel veel interessant. Toen ik achttien was, dacht ik dat ik alles wist en opeens komen er dingen voorbij waarvan je denkt: dit klopt niet. Dit is onbenoemd en zo kwam ook het idee om dat in vorm te gaan gieten. In prozaïsche teksten komt zo veel van het ‘binnen’, van wat we al kennen, narratieve eisen, mimetische eisen. In de poëzie kan je dat veel meer loslaten.

Je begon toen je heel jong was met strips en toen kwam je in de bibliotheek van je ouders Jacques Perk tegen.

Het grappige is dat ik toevallig die dichtbundel uit de kast trok. ik begon te lezen. Aan de ene kant is het frappant dat het iets was  dat honderd jaar voordat ik geboren ben, is geschreven. Aan de andere kant: als je vijftien, zestien jaar bent, heb je een romantisch verlangen en een doodsdrift. Bij de intrede van de puberteit is je kind zijn gestorven. De eeuwige dood is aanwezig in het werk van de Tachtigers en die appelleerde aan mijn leeftijd. Ook aan andere mensen van die leeftijd op mijn middelbare school. We waren allesbehalve een voorbeeldschool:- we hadden weliswaar veel vechtpartijen – maar er werd gelezen. Perk, ook Kloos was populair en latere dichters als Hans Lodeizen. We dweepten daar een beetje mee, ook natuurlijk omdat onze ouders van de generatie waren waarbij het marxisme oubollig was geworden, en kunst dus niet meer werd gezien als iets dat automatisch verheft, maar wij wilden dat opnieuw coinen, claimen als deel van onze identiteit. Pas later kwamen we toe aan het werk van postmodernen als Lucebert, Sybren Polet en Kouwenaar.

Jacob werd mank in het gevecht en wat ik interessant vind: Maurice Blanchot heeft een vertelling over de noodzaak van kunst. Dat legt hij uit aan de hand van de mythe van Orfeus. Als Orfeus zich omdraait, verdwijnt Euridice. Volgens de Griekse mythe wijst dat op het wantrouwen en het ongeloof in God en het gebrek aan geloof dat de beloftes van God worden ingewilligd. In Blanchots visie kijkt hij om om de het onbekende en alles wat daar bij hoort in de ogen te kijken, want daarmee besta je, daardoor ben je kunstenaar. Bewegen is een middel om terug te gaan in herinneringen en om openbaringen te krijgen. Het is niet voor niks dat Jacob worstelt met de engel, heel lijfelijk. Ik doe veel aan yoga en ik onderzoek wat bepaalde houdingen met je denken doen. Om te kunnen omkeren doet Orfeus dit. (Zij draait haar torso.) Dit is een beweging waardoor je hele ruggengraat zich omkeert, waardoor tijdelijk een blanco stuk in je hersenen wordt gecreëerd, waardoor je heel kort, zo blijkt uit onderzoek, een black out krijgt.  Om kunst te zien, moet je even zonder presupposities zijn, een heel klein moment blanco zijn en dat kan via beweging. De engel staat heel relaxt met gestrekte armen en Jacobs ruggengraat wordt in elkaar gedraaid. Als je bij yoga ‘compressing asana’s’ doet, dat wil zeggen je organen samenperst, je helemaal naar binnen keert en daarna weer rechtop gaat staan, wordt je hele neurale systeem gereset. Je begint aan een nieuw stukje van je zelf. Dat vind ik prachtig en ik heb het idee dat mensen dat onbewust aanvoelen. Ook zo’n kunstenaar als Doré.

Als je het aan de eik zou vragen, bloeide ze

het liefst aan de rand van een dodenakker.

Vooral lichamen van zondige kinderen

scheiden een stof af waardoor eiken harder

groeien en vandaag ben ik twaalf.

Ik zit met mijn broertje onder de grote eik, het is zo warm

dat de boom op ons kwijlt. Ik leer en lees

de braille van de bast. Hongerig en korstdroog,

bonkend onder mijn blinde vingers. Het sap plakt,

we vegen handen af aan mijn dunne kleed. Takken

kraken. Likkebaardende bladeren.

===

Willem Thies heeft dit gedicht uit je eerste bundel incestueus geïnterpreteerd. Dat hoeft niet autobiografisch te zijn.

Ik geloof niet in niet autobiografisch schrijven. Je hebt je belevenissen. Er is inderdaad opgemerkt dat ik met mijn broertje een incestueuze relatie zou hebben, maar het broertje uit de gedichten hoeft niet mijn eigen broertje te zijn. Het broertje uit de bundel gaat dood; mijn broertje leeft nog. Ik heb mijn grootvader nooit gekend. Wat ik heb gedaan is beelden die ik had, waar in mijn beleving iets interessants aan was, gebruiken. Zij zorgden voor een spanningsveld. Er wordt geflirt met incest in de bundel; dat is absoluut waar, vanuit een gezinssituatie die uitermate instabiel is. De enige mensen aan wie je iets hebt, zijn de mensen van je eigen generatie. De ik-persoon van de bundel is jong. De moeder drinkt te veel. De grootvader is getraumatiseerd door het jappenkamp. Het enige dat nog te redden valt, is het broertje. En daar klampt de ik zich aan vast, in plaats van zichzelf te redden. Je moet altijd iets in je gedichten hebben, wat de Beatles een trompetje noemden. Als ze iets af hadden en het klopte nog niet helemaal, dan zeiden ze: er moet nog een trompetje bij. Ik denk dat deze lading in de bundel noodzakelijk is: lust, erotiek hangt sterk samen met trauma. De bundel is heel fysiek. Dat zit ook in de nieuwe bundel. De beelden in dat eiken-gedicht (we woonden aan de rand van een bos) zijn heel erotisch.

Dat heeft Thies dus goed gezien. Wat hij niet begrijpt is ‘de blinde vingers’. Hij zegt dat ze juist braille lezend ziende zijn, maar deze vingers kunnen niet ‘zien’ omdat er kleverig sap aan zit.

Ja, precies. Ik had ook bijna een reactie getypt.

Bij deze dan. 

Poëzie is communicatie. Als mensen met een interpretatie komen, waar ik helemaal niet achter sta, is het mijn fout geweest. Je moet een gedicht zó vorm geven dat er stukken zijn die open zijn voor interpretatie, anders kun je beter een essay schrijven, of een pamflet. Ik heb het gedicht alleen maar doorgekregen. Je bent als dichter een filter.

Al die klankherhalingen, de korte o, i en a zijn bewust gemaakt? Je bent muzikaal?

Ja, ik speel gitaar, piano en een beetje harp, maar ik ben a-ritmisch.

Ik schrijf vaak vanuit het idee van bewegen. Als je ‘hongerig’ zegt, maakt je middenrif een zakkende beweging, wat ook gebeurt wanneer je hitsig wordt. Het is ook qua klank een nabootsing van hoe je lichaam beweegt.

Taal is iconisch?

Voor een goed deel wel. Men vergeet dat wel eens. In Amerika is een onderzoek geweest, waaruit bleek dat mensen een beroep zoeken bij de klank van hun naam. Er bleken bijvoorbeeld veel tandartsen, dentists, te zijn die Dennis heetten. De naam is een teken.

==

ONZE MOEDER I

Onze moeder kan een voetstuk op (één teug),

ze drinkt al jaren onder de tafel. Van flessenbodems

schrapen we gedachtenis af. We zetten ze bij,

de vaasjes waarop blank fluiteschuim bloesemt

en soms druipt het, soms knipoogt de fles soms

kruipen er wolken voor de zin. Slokken die

de dag van het gelaat vijlen. Wat doet iemand als wij

op een plek als enfin.

Onze moeder dus

die kan een voetstuk op.

Nu hop,

straks ziet ze dat we het aankunnen. Klappen we

voor ouders die niet willen dat er over hen wordt

gedroomd,

knip zegt het glas en de kamer gaat uit.

=

Onze moeder kan een voetstuk op?

Ik zag iemand voor me die zo veel drinkt dat dat ze alles wat bewonderenswaardig aan haar is, opslokt. We hebben onze moeder altijd op een voetstuk staan. Vrienden van mij hebben een drinkende moeder en daar hebben ze geen goed woord voor over.

‘Van flessenbodems / schrapen we gedachtenis af.’ Is dat een etiket?

Ja.

‘We zetten ze bij,’ Die komma is interessant. Normaal is het eind van een regel al een pauze en jij maakt nog een extra pauze. Je kunt ook doorlezen: ‘bij de vaasjes’.

Bijzetten, zoals in een tombe.

‘Blank fluiteschuim’  Fluitekruid?

Kan, maar ook gewoon een fluitje, een biertje. Schuim. Fluitekruid werd overigens gegeven aan mensen die alcoholicus waren en dat is extra tragisch want het bloesemt nog.

‘kruipen er wolken voor de zin’; het wordt even vaag.

En de zon is een zin geworden.

‘Slokken die / de dag van het gelaat vijlen.’

Als we een stressvolle dag hebben, knijpen we de ogen heel nauw toe. Onze gezichten worden spitser, zoals bij cassieres aan het einde van een lange dag. Alcohol geeft ook dat effect. Ik hou heel erg van het spelen met enjambementen. ‘die’ kan hier verwijzen naar de wolken (als lijdend voorwerp), maar ook naar de slokken (als onderwerp) Je moet overlezen. Je verwachting wordt gekanteld en dan is het fris wat je leest.

‘op een plek als enfin’; een ellips.

Anders wordt het een klaagzang. Het gedicht was eigenlijk heel lang en het werd zo’n klaagzang. Toen dacht ik: een enfinnetje.

‘Nu hop”; dat maakt het lichter.

En van hop wordt bier gemaakt.

‘knip zegt het glas en de kamer gaat uit.’

Ik heb veel mensen meegemaakt met een alcoholprobleem. Mensen willen gaan opruimen terwijl een ander wil doordrinken. Je stapelt de glazen op elkaar en die kunnen daardoor barsten en daardoor kan ook de hele avond weg zijn. Als het glas leeg is, kun je out gaan.

Je gebruikt gewone taal, geen vette metaforen, maar het is wel geheimzinnig. Je moet een aantal malen lezen.

Mijn podiumgedichten zijn vrij helder. Als je publiceert is het veel interessanter om teksten te hebben die je moet teruglezen. Dat is de grote meerwaarde van een geschreven tekst boven een voorgedragen tekst. Gedichten zijn een soort lichtbronnen. Je kunt steeds een ander aspect zien.

Je moeder dronk?

Misschien.

Trek je je nu terug?

Nee, je mag het lezen zoals je wilt, maar mijn eigen leven is vrij saai en niet spectaculair. Als je oudere versies van dit gedicht zou zien… Dit, de ‘moeder’ was eerst een grootmoeder en daarna een grootvader. Het broertje heette eerst Bram en was een jeugdvriendje. Toen ik de eindversie maakte van deze bundel, kreeg ik de Mexicaanse griep en de dokter zei dat ik paracetamol moest slikken anders kreeg ik hallucinaties. Dus heb ik de paracetamol weggedaan, want ik dacht: prima, kom maar, want ik moet de eindversie van mijn bundel schrijven. Toen zijn al die personages naar boven gekomen. Deze moeder is niet mijn moeder.

De nieuwe bundel Hoi feest. Dat is een sarcastische titel, want het is helemaal geen feest.

Misschien (lacht uitbundig).

Het is ellende. Op een gegeven moment staat er in een gedicht ‘en ik ermee naar het feest moest, / al was het maar om even hoi te zeggen.’ We komen er op terug.

Dit gedicht ga ik even doen. De interviewer staat op en vouwt zijn handen etc.

HANDEN

Vouw je handen in elkaar en ga

de betekenissen na die opkomen:

1a. bidden (ze nemen toe),

1b. applaus (ze vallen af).

Breng bovenstaande tot ontploffing

en de handen vormen een pad

tussen je polsen. Betekenissen breken

armen. Polsen en handen zijn een hangbrug

onder sleutelbeenderen. Je hoofd staat erboven,

schommelend trekt het je armen uit de kom

tot je touwtje springen kan. Dat is prima,

van bewegen blijf je langer in leven. Werp deze lus,

alles komt bij je terug. Span

boven de anderen, maak van hen een ravijn

beneden je ledematen. Laat het maar

bezinken: jouw armen zijn geen net

maar net een brug en stelt dat je gerust.

De interviewer probeert niet over zijn gevouwen handen te springen, maar Ellen zegt dat ze dat wel kan dankzij heel wat uren yogatraining.

Lees ik het goed? Het lijkt een yoga-oefening.

Ja, je leest het heel goed.

Dit doe je ook vaak: je zegt niet: ‘dat stelt je gerust’, maar ‘en stelt dat je gerust’, zonder vraagteken.

Nee, geen vraagteken. Als ik een vraagteken had gezet was het veel minder onheilspellend geworden. Het is in feite een heel vrolijk gedicht, zo van: ha ha, kijk eens wat we met connotaties kunnen doen. ‘Dat is prima’, maakt het luchtig.

Het is de vraag of het je gerust stelt. Je hoopt het. Het is bijna een bede. Het moet.

Nou, nee. Weet je wat het is? Ik heb een protestante opvoeding gehad, waar veel werd gebeden en tegelijkertijd werd er tussen neus en lippen door gezegd dat je zelf aanraken niet mocht, maar als je dit (handen vouwen) doet, raak je jezelf keihard aan. Handen aanraken is sexy, we herinneren ons allemaal de eerste keer dat een vriendje of vriendinnetje stiekem onze hand pakte in gezelschap. Dan valt de grond onder je voeten weg.Tijdens hete zomerdagen, als de gebeden heel erg lang duurden, voelde je het zweet tussen je handpalmen gaan. In  je handen zijn allerlei zenuwbanen. Als hier zweet doorheen gaat, word je al helemaal hitsig en je doet je ogen open en kijkt naar je klasgenoten. Tegelijkertijd hebben we zo’n enorm instrumentarium van betekenissen die we verbinden met handen: hand boven het hoofd, hand opsteken, applaus afnemen en dat wilde ik eigenlijk doorbreken, met Martha Graham, een Amerikaanse danseres en choreografe, die een grote invloed had op de danskunst, zoals Picasso op de schilderkunst. Zij heeft zich heel erg verzet tegen iets waarmee ik in deze bundel worstel, namelijk symbolisme. Er zijn allerlei betekenissen die door eerdere generaties op je handen zijn gelegd. Grahan schrijft: een hand is een te mooi voorwerp op zich om er een symbool van te maken. Ik heb samen gewerkt met het Scapino-ballet. Door het dansen kwamen heel veel herinneringen terug. Ik ben veel over choreografen gaan lezen. Op zo’n manier naar de wereld kijken. De bewegingen en houdingen van choreografen zijn hun gedichten. Dat heb ik geprobeerd in deze bundel te integreren. Je kunt nooit van de vooraf bestane betekenissen afkomen. Daarom maak je deel uit van een communicatieve gemeenschap. Wat je wel kunt doen is de schoonheid van een hand opnieuw zien en dat vind ik heel erg belangrijk. Handen zijn op zich zelf heel bijzonder. Als je alleen al nagaat hoe krankjorum veel pezen er in zitten. Het is ook een uitdaging. Kijk naar mijn handen. Schrijf een gedicht over mijn handen. Er zijn zo veel vooraf gegeven betekenissen met handen! Die betekenissen moet je ontduiken. Voor deze bundel heb ik heel veel gedichten geschreven die de bundel niet hebben gehaald. Ik heb ook voorstudies gemaakt en ik betrapte mij er op dat je bij een gedicht over handen al gauw cliché’s in je hoofd hebt. Ik heb een kookwekker gezet van een kwartier en dan alle cliché’s die bij je opkomen schrijven, bam bam en dan zeggen: okay, hier neigt mijn denken naar, hier gaat mijn cognitieve narrativiteit naar toe. Dat zetten we nu weg en we gaan kijken: wat doen de handen echt? Er zijn middagen geweest dat ik alleen maar voor mezelf zat uit te staren. Wat willen handen zeggen? Hoe kom ik aan deze handen? Al mijn familieleden hebben worstenvingertjes; ik ben de enige met redelijk lange vingers, de spanwijdte is goed voor pianospelen. We vonden een jaar geleden een foto van mijn overgrootvader, een schuldenmaker en probleemdrinker en die had lange dunne vingers. Misschien is dichten mijn verslaving, mijn manier om ‘de dag van het gelaat af te vijlen’. Ik doe het met andere instrumenten.

Heb je een hekel aan metaforen?

Ik ben er heel erg voorzichtig mee geworden. Het gaat te gemakkelijk. We zitten nu in de bieb en je kunt zeggen, als je de omroepster hoort: we zitten in de supermarkt. Het komt te snel op. Die boeken hierachter die van onderen komen met een lift: de hades. Je moet iets van het binnen gebruiken om de metafoor geldig te maken. Ik kan zeggen: ik heb een dag als een naaldhak. Wat hebben ze met elkaar gemeen? Dan baseer je je op common sense. In deze bundel bijvoorbeeld, in het slotgedicht, zegt iemand: we moeten praten. En dan staat er: ‘Ik glipte naar de bodem van mijn tas / waar de vissen zwemmen.’ Ik ontduik  het gesprek. Maar je moet door in die metafoor. Ik laat hem helemaal ontsporen en dat is echt één van mijn doelen geweest in deze bundel.

Vorig jaar heb ik Lars Gustavson ontmoet, de Zweedse dichter. Ik had het met hem over metaforen en hij zei: je moet zó uitkijken want ze zijn heel snel aan inflatie onderhevig. In de eerste bundel heb ik in een gedicht te veel metaforen zitten in de hoop dat de lezer helemaal overdonderd wordt,maar ik heb kritiek gehad op dat gedicht, ook van Thies. Nu wil ik de metafoor op een andere manier ontmantelen. Je moet de semantiek afbreken, De bundel is opgesteld rond seksualiteit, religie en lichamelijkheid. Als je alle betekenissen van de lichamelijkheid afschrapt, krijg je een heel nieuw systeem van wat we voor elkaar kunnen betekenen. Dat vind ik interessant. Deze hele bundel is een beweging daar naar toe. Af en toe graait er een wanhopige hand naar ons en die hand noemen we god. Dan is het de hand van de ander die we niet kunnen duiden. Even onkenbaar als god, even onkenbaar als de engel met wie Jacob vecht.

Je hebt een lezing in de Geertekerk gehouden, een sermoen. Daarin heb je duidelijk gemaakt hoe je tegenover religie staat en dat poëzie jouw religie is. Ik verwijs naar: http://lezentv.nl/articles/654/Ellen_Deckwitz__Niet_drinken_maar_dansen.

Ik kan poëzie alleen maar religie noemen als we er van uitgaan dat geloof iets is dat tussen mensen onderling zich voordoet. Dat is belangrijk, want poëzie is langs de talige werkelijkheid heen kletsen om de nog onbenoemde werkelijkheid te tonen. We hebben er geen andere woorden voor. Het is als het omkijken naar Euridice. Je kunt niets anders, want je kunt niet zonder die beweging, de draai die je maakt. Je hebt geen spiegel om te checken of de geest van je overleden vrouw nog achter je aanloopt.

Je ouders waren bij die lezing en bij de Prinsentuin in Groningen waar je optrad.

Zij volgen het; ze zijn ook trots. Het is wel zo dat mijn moeder het er even moeilijk mee had dat er in de eerste bundel een probleemdrinkende moeder zit, maar dat hebben we wel goedgemaakt. Ik krijg dichterlijke vrijheid. Ik heb het begrip ‘intentional fallacy’ uitgelegd. Mijn broertje kon er wel om lachen dat hij in de bundel de hele tijd dood gaat.

Van mijn ouders heb ik de literatuur met de paplepel ingegoten gekregen. Toen ik zestien was, las ik De Idioot van Dostojewski en ik zei tegen mijn moeder: ‘Ik ga met de idioot in het bad’. Mijn moeder begon te lachen. Dat is prima. Ik ben gezegend. Ik heb zo veel vrienden die ook schrijven, maar hun ouders lezen het niet.

Je hebt de bundel duidelijk gecomponeerd: HANDEN, ANDEREN, HANDEN II, ANDEREN II, HANDEN/ANDEREN.

Ik geloof heel erg in compositie, anders kan je net zo goed een bloemlezing maken; en in resonantie. De gedichten zijn niet allemaal even goed. Er zijn een paar uitschieters, maar sommige gedichten worden beter in deze samenhang, omdat ik een aantal thema’s terug laat komen: religie, jeugd, lichamelijkheid, waardoor de bundel als geheel een verhaal wordt, zonder narratief te zijn. Het is een semantisch experiment: wat kunnen we doen met lichamelijkheid. Wat te doen met een notie als handen en religie? Hier is heel erg aan gevijld. Ik schrijf het liefst ‘s ochtends, een beetje slaapdronken. Een week lang elke morgen op vijf uur opstaan, maar ‘s avonds pas om twaalf uur naar bed, zodat je echt weinig slaap hebt en dat je na een half uur gecomponeerd te hebben weer verder gaat slapen. Er gaat iets mis, wanneer je wakker genoeg bent, zodat je rationele kant de irrationele gaat corrigeren. Dan zijn we bezig met essayistiek.

Wat Bernlef ooit een staat van lucide versuffing noemde.

Hier staat: ‘ik lok je god. Het is weer goed.’ Ik dacht dat die god zowel God is als de vriend.

Misschien?

In de G-gedichten van Kopland (vertaald met D in het Frans, geautoriseerd) gaat het volgens mij ook om een geliefde, maar ik heb het hem nooit durven vragen, o ik dacht dat hij tegen beter weten in zou ontkennen.

Ik realiseerde me dat ik de dingen die ik wil van mijn geliefde, ook van God wil, want God is de held, net als je vader en moeder. Hij is alles wat jij ooit wil bereiken. Het is niet voor niks dat in de bundel god steeds met een kleine g wordt geschreven. Anders verliest het woord zijn ambiguïteit. God is degene die je eigenlijk lief wil hebben, het mystieke lichaam en door wie je lief gehad wilt worden. Interessanter is de vraag of deze geliefde ooit hoeft te bestaan, om een goede invloed op je te hebben. Misschien is de aanname wel genoeg.

Ik heb veertig gedichten klaar liggen voor een volgende bundel. Soms schrijf je gedichten na bundel A die in B kunnen komen, maar het zijn A-gedichten. Ik ben nu weer veel aan het lezen en ik geef tijd aan dans en religie. Ik schrijf nu ook gedichten naar aanleiding van de bhagavad gita

‘Zo belanden we elke ochtend met een rotsmak / in ons lijf. We moeten eruit, // kruipen naar de koude kant. Rollen terug, / doen alsof andermans warmte nog kleeft // aan de dekens. Om te leren houden van iets / wat ‘s nachts van ons af kwam.’

Het verlangen naar de geliefde.

Maar ook dat je het zelf bent. Dat is belangrijk.

Het volgende is een liefdesgedicht waarbij je in de ander zou willen kruipen.

‘Hij haalt diep adem, wijst naar het geraamte

van een gebouw en zegt vervolgens:

dat is net een geraamte.

Oh jee, was ík maar een geraamte. Of nog

magerder. Dan kon ik eindelijk sijpelen

door de muur tussen ons. (…)’

Het is het verlangen naar een liefdesgedicht. Dit is autobiografisch en gemeen. Mijn vriend ex-vriend had een manier van naar de wereld kijken, waarbij hij alleen het ‘binnen’ gebruikte. We stonden op het station en we zagen een stuk in aanbouw, een geraamte waar later betonplaten tegen kwamen. Hij vraagt: zie je dat daar?  Ik dacht: hij gaat zeggen dat het net een geraamte is. Dat moet je niet uitspreken. Dat beeld moet je meteen weggooien, het is cliché. Hij zei: het is net een geraamte. Toen werd me ineens de enorme afstand tussen hem en mij duidelijk. Zijn manier om naar de wereld te kijken. Hij was iemand die zei: kijk, het is zo wit als een zwaan. En dan bedoelde hij helwit, en niet het groezelige oker wat de echte kleur van zwanen is.

In een geliefde kruipen, ook om van jezelf af te komen. Je wilt weg van je zelf, van de problemen, van de tijd waarin we leven. We zitten allemaal in een geloofscrisis. We geloven wel in wetenschap, maar dat is iets heel anders. We hebben verleerd te geloven in God. We hebben ook het respect voor de gemeenschap verloren en de eerbied voor ouderen. We moeten de religie opnieuw gaan uitvinden. Dat lukt alleen maar als we onze handen gebruiken en betekenissen losrukken om te kijken vanuit eigen ervaring.

Hadewijch?

Ja, grote held. Ook Hildegard van Bingen. Je moet iemand het voordeel van de twijfel geven wanneer het om mystici gaat. Er waren ook profiteurs bij, maar Hadewijch en Hildegard hebben zo’n risico genomen om in hun tijd door te schrijven over wat God aan hen doorgaf. Wij zitten met alle media in een cocon van common sense. De dogmatiek van de kerk in de middeleeuwen was ook dwingend met bijbel en clerus. Bepaalde gevoelens hadden alleen bestaansrecht als ze in de bijbel stonden en daar zijn Hadewijch en Hildegard tegen in gegaan, met zeer lichamelijke gedichten. We zijn in onze tijd langs ons eigen lichaam gaan leven, langs onze eigen ervaring.

Orewoet heb ik pas vrij laat ontdekt en dan niet zozeer in de relatie tot God, maar in de liefde voor anderen. In de negentiende eeuw bij de Victoriaanse dames was het heel hip om vriendschapsbrieven te schrijven, om uit te spreken hoeveel iemand voor je betekende, terwijl er geen sprake was van lust. Vriendschappelijk orewoet ervaar ik en daar word ik heel gelukkig van.

In het volgende gedicht staat als tweede strofe: ‘[Hier moest het middenstuk komen / maar ik ben het kwijt. Dat soort dingen  / gebeuren.]’

Staat dat ook zo in de bundel?

Ja, weet je waarom? Ik ben heel erg aan het componeren geweest. Als je het begin neemt: ‘We waadden door het donker, / hij trok me naar zich toe en’ dan denk je: het gaat een sexy gedicht worden. Maar door wat je weglaat is het duidelijk dat de ik-persoon gedumpt is, afgewezen, te oud geworden voor de persoon die haar naar zich toetrekt en dit is precies de argumentatie die mensen gebruiken, zowel mannen als vrouwen, wanneer ze iemand dumpen. Ze zeggen: ‘Ik weet niet meer wat ik voor je voel, maar zulke dingen gebeuren.’ Het was niet meer noodzakelijk om weer te geven hoe mooi het middenstuk was, want het einde is al bekend.

‘Ik zag hem met een jonger mensje in de beek staan’ Er stond eerst ‘meisje’ denk ik.

 

Misschien? Dat je dat al denkt is belangrijk, het zegt iets over hoe je het gedicht interpreteert, en ook dat je opmerkt dat er nu ‘mensje’ staat.

Het volgende is ook vrij hatelijk: ‘Dat ze om me lachten / en slokken namen tot ik niet meer kon. Ik deed het / in hun beek, warmte omringde mijn dijen.’ Je plast in het water. 

Ja. Mijn hele omgeving is kinderen aan het krijgen en dan hoor je: ‘ik doe het in mijn broek’. Ik doe het in een beek.

Een mooi idee is: ‘Ik stelde me altijd voor / dat als ik iemand zoende, / ik in hem belandde. Mijn geest / zijn tong als glijbaan gebruikte,’

In het oude Rome noemden ze dat zoenen het overgieten van elkaars ziel in elkaars keel.

‘Zag ik eindelijk zijn verlangen // naar lego.’

Te jong, te Peter Pan.

Ook in het volgende gedicht ben je niet meer enthousiast over mannen. Je neemt hun c.v.’s aan en leest, nu ja, de ik-figuur leest: ‘Bewatert plantjes zonder morsen / met het overgebleven handje parmantig in de zij, / schrijft daarnaast denderende verzen.’ Dat is behoorlijk vilein! ‘Ik wrijf mijn handen warm, voor dit soort mannen /maak ik mijn gaatje dicht. Stoker mijn tanden en denk: // ze mogen op gesprek, aan het eind / zijn ze op en blijk ik sterk.’ Dat gaatje is een vagina?

Ja, dat is een super lompe formulering. Lieve mannen praten heel erg op zo’n ‘papa,pap-manier’, heel patriarchaal. (De stem gaat nu omhoog en wordt zeer hatelijk) ‘O meisje, gaan we liefde bedrijven…’ Mijn vorige vriend was zo’n lieve man.

De reeks gaat over dat we vaak kiezen wat net niet goed voor ons is en hij schreef ‘denderende verzen’. Het is wel gemeen, maar ik kon het niet laten. ‘Stoker mijn tanden’ suggereert dat de ik die man het huid en haar heeft opgevreten. Ze moet nog wat wenkbrauwhaar tussen de tanden weghalen.

De hele cyclus gaat over mannen en vrouwen en hoe ze verkeerd met elkaar omgaan en dat heeft te maken met hoe we ons representeren voor de ander. De vrouwen ontpoppen zich als meeuwen een buik ‘vol rotte vis / en restjes plastic’. ‘Beschouwen mannen als peuken / waarbij ze het vuur van de een naar de ander / alleen maar hoeven // over te neuken.’ Het is een gezegde met sigaretten; als je het vuur van een ander aanneemt heet dat ‘overneuken’.

HANDEN II begint met een masturbatiegedicht.

Het gaat over jong zijn en over alle frustraties die daarbij horen. Dit gedicht heette eigenlijk 1991; toen was ik zelf tien, elf jaar oud.

Dan komen de lesbische gedichten.

Misschien.

In Twenthe bestond homoseksualiteit en biseksualiteit voor ons alleen om te provoceren, Jongens zoenen met elkaar: o jé, we doen gek. Als twee meisjes met elkaar zoenden was het om de jongens op te hitsen. Je deed iets homoseksueels om er iets heteroseksueels aan vast te kunnen knopen. Dat is zo misselijk makend, dat is net als handen vouwen voor een gebed. Dat wordt symbolisch, terwijl het iconisch zou moeten zijn. Je zou iemand moeten aanraken omdat je hem of haar wilt aanraken en niet omdat je alleen maar een bepaalde reactie wil oproepen, anders ben je bezig met het produceren van porno.

Cliché en porno hebben veel met elkaar te maken.

Mensen doen porno na. Ik woonde in een studentenwijk en op warme dagen hoorde je dat iedereen zich kapot lag te neuken met open ramen. Tijdens het voorspel maakte men heel andere geluiden, dan tijdens het hoofdspel. Tijdens het voorspel kreeg je het gepornoficeerde geluid te horen, quasi gekreun. Dat symbolische gedoe, berustend op afspraken, is zo intens triest. Dat wilde ik ook in de bundel naar voren laten komen.

Hier zie je een voorbeeld van een doorgetrokken metafoor:

‘Om na twintig jaar bloot / boven een handspiegel te hurken, / er dan pas achter te komen waarom / ze parels ook wel orgasmen van vlees noemen. // Tijd om mijn neus dicht te knijpen / en me door haar onder het oppervlak te laten trekken.’ Dat oppervlak kan het oppervlak zijn van het intermenselijk gedrag, als wel het oppervlak van de spiegel. Dat je in de spiegel duikt, zoals Alice.

De zij wast de haren van de ik en in ruil zal de ik haar kersenhoutenvloer verven. Dat is wel een leuke afspraak.

Het is totaal niet gebeurd. Niet autobiografisch. Ik wilde leuke dingen in de bundel. Sommige kritieken vonden mijn eerste bundel erg somber en zwaar. Ik was inderdaad somber toen ik de bundel schreef, maar ik had niet door dat het zo gitzwart werd. Deze bundel moest lichter worden, via grapjes. Daarom heb ik hem ook Hoi feest  genoemd. Ik was altijd vrij somber. Pas het laatste half jaar ben ik heel gelukkig. Daarom ook Hoi feest.

Dus niet hatelijk?

Nee. Ik zei tegen mijn moeder: ‘Heb je ook titels voor mijn nieuwe bundel?’ ‘Herfst’ zei ze.

‘Hoi feest’. zei ik. ‘ Nee, dat is een stomme titel’  zei ze. Toen dacht: dan kies ik hem.

Ik kijk naar mijn gedichten zo: wat verwacht de lezer in de volgende regel? Dan schrijf ik dat niet op, maar het moet wel geloofwaardig blijven, anders wordt het gratuit. Ik heb veel geleerd van de kritieken.

==

Hij zei we moeten praten

en dacht mijn enkel te grijpen

maar mijn voet gleed uit het muiltje.

Ik glipte naar de bodem van mijn tas

waar de vissen zwemmen. In een vorig leven

was ik een van hen, relatief blij

tussen rommel waar ik niets van hoefde

te maken. Soms zagen we aan het oppervlak kontjes

van eenden, dat vormde enige bewolking.

En af en toe graaide van boven een wanhopige

hand naar ons, die hand noemden we god.

Dit gaat over de vriend?

God is ieders vriend.

====

Aside | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen

Rik Andreae

DEKSEL VAN DE DOOS

Rik Andreae (1950, Arnhem) groeide op in Emmen.

Hij is werkzaam als landmeter in Groningen; publiceerde drie bundels:
Toerist, Utrecht,Leeuwarden, Uitgeverij De Contrabas, 20?

Tegelijk groen, Utrecht,Leeuwarden, Uitgeverij De Contrabas, 2010

Blootwuilders dij wie binnen, Uitgeverij kleine Uil, 2012

1e prijs Poëziewedstrijd Schrijversschool Groningen 2005 met Cadeau, 27 jan 2005

Drie maal de eerste plaats bij de jaarlijkse Poëziewedstrijd van de Poëziemarathon.

1e prijs Nijmeegse SNS Literatuurprijs 2001 met 7 gedichten: Dit zien, Popmooi, De stad wil, Dorp, 1 op 25000, 14.43.38, Zand, 3 maart 2001.

Victor Vroomkoning zegt in het juryrapport van de Nijmeegse SNS-Literatuurprijs 2001: “Hij is niet bang zich een buil te vallen aan de taal. Zijn gebruik van nieuwe woorden, nieuwe woordcombinaties of van alledaagse woorden in onalledaagse betekenissen is schitterend.”

KLEINHAAS SPREEKT

Kleinhaas is spontaan vandaag:

toen ik was, was ik enorm en

wilde om te tuiten, dansen

in Hema-ondergoed.

Kleinhaas met hand voor mond:

ik wilde vergeten woorden en

vond ze als geuren van turf-

vlees en houterig.

Kleinhaas zag met bloedend oog:

bij bepaalde afgesproken voorvallen

breken tijden met stormen

of ongekende stroom.

Kleinhaas wil langzaam af:

ik knier wat bruis ik en

de koning van de jacht vreet u

met hoed en jas en veters.

Kleinhaas is pardoes altoos:

mijn spiegel ikt. Door mijn oren en

nog iets van de doorntakken

dat nodig branden moet.

Kleinhaas zou willen zijn wat hij is:

deksel van de doos waarin

katten voor ze onverschrokken

angstig zijn slapen.

=

Je schrijft heel eigenzinnige gedichten. Het is oorspronkelijk. Je gedichten zijn heel herkenbaar, dat wil zeggen: ze hebben jouw signatuur. Dat zit ook in de humor. Die gebruik je bewust?

Ik probeer het juist een beetje minder te doen. De allereerste gedichten, van dertig jaar geleden, waren heel erg komisch, maar daar wilde ik van af.

Je gebruikt veel neologismen, zoals ‘tuiten’, ‘ik knier wat’.

‘Hema-ondergoed’ is heel gewoon, maar het is ook bijzonder dat hij daar in danst. Er zit veel zelfspot in Kleinhaas.

Ja, hij is aan het woord. ‘toen ik was’: toen ik bestond. Toen was hij ‘enorm’ in blijdschap.

‘tuiten’ is een vreemd werkwoord. Wat betekent het?

Dat moet je me niet vragen. Het is te lang geleden. Wat denk je?

Ik denk aan Vromans Jeldican. ‘Het woord ondertussen tuitte eens zo hard.’ Jeldican is een vreemd dier, een soort kruising tussen een hagedis en een nar. Kleinhaas is een verbijzondering van de dichter?

Het is in ieder geval geen dier. Het is een persoon. Hij zal wel een beetje de dichter zijn, maar er ook de ergenis over sommige mensen. Het is ironisch.

‘Kleingeist’, een zielig mannetje?

Ik weet het niet precies. Het zijn eigenlijk drie gedichten. De middelste heb ik in vieren gedeeld, maar oorspronkelijk waren het verschillende personen, die een rol speelden. Toen bedacht ik een naam: Kleinhaas. Een haas met een klein hartje. Springerig, spontaan, bang. De haas is een speciaal dier. Hij komt wel vaker in mijn werk te voorschijn. Hij is ook verlegen.

Hij wil vergeten woorden gebruiken. Ze ruiken naar turf.

Woorden zijn voor jou dingen.

Dat klopt. Een gedicht is een ding van woorden. Woorden hebben een eigen karakter. Vergeten woorden zijn ook ouderwetse woorden. Er staat ook ‘altoos’.

Dat ‘bloedend oog’ snap ik niet meer zo goed. Bloeddoorlopen?

‘afgesproken voorvallen’: dat is een tegenspraak.

‘Kleinhaas wil langzaam af’: ik dacht aan het afgaan op het toneel. Hij gaat er ongemerkt vandoor. Hij wil niet opvallen.

‘de koning van de jacht’: een jager. ‘met hoed en jas’: met huid en haar. Kleinhaas doet zo maar iets; hij laat zich door de omstandigheden bepalen.

De spiegel laat zien hoe hij is. Hij ziet zich zelf.

De doorntakken branden; een bijbelse connotatie?

Ja, ik dacht, dat moet maar even hier. Ik weet niet hoe dat gaat. Het zijn woorden die omhoog komen. Ik ben niet bijbels opgevoed, maar je krijgt altijd wel iets mee.

Kleinhaas is ‘de deksel van de doos’. Het zijn dingen die je tijdens het schrijven overkomen. De kat verstopte zich, ging al spelendf in een doos zitten. Er lag nog een deksel half op en die viel toen dicht geloof ik. Dat beeld heb ik gebruikt.

Je laat je leiden door toevalligheden, door invallen en niet door de rede.

Ja, dat klopt. Het zijn niet alleen maar invallen. Het is heel merkwaardig: als je iets schrijft, maak je dingen mee, die heel goed in het gedicht passen. Als je ergens niet uitkomt en je gaat zoeken in een woordenboek, dan vind je het woord dat past. Je wist het van te voren niet. Het komt natuurlijk omdat je er heel erg op gespitst bent.

Het heeft wel even geduurd voor het iets geworden is. Ik hou van parallellen. Het is ieder keer dezelfde strofe in feite. Elk kwatrijn begint met ‘Kleinhaas’. Elke tweede regel eindigt met ‘en’, wat eigenlijk niet mag. Nou ja… Ik vind het leuk om een vaste vorm te kiezen.

Dit zijn van die gedichten waarvan ik bijna niet meer weet hoe ze ontstaan zijn.

Je laat je leiden door gevoel, door beelden, door gedachten die zo maar opkomen.

Vooral dat laatste. Je staat op en je hebt een zin in je hoofd, je schrijft hem op en het gaat verder. Ik luister naar mijn onbewuste.

Surrealisme?

Ja, zeker. Ik hou van Dada, Jarry. Ubu en de patafysica. Het is wel gebonden aan het rationele. Je zoekt een wetenschappelijke verklaring voor ‘onzin’. Dat vind ik prachtig. Je draait de boel daarmee om. Alles wat zo serieus lijkt, fascineert me.

Op mijn zeventiende vond ik het boek van Bernlef en Schippers over Dada: Een cheque voor de tandarts.

Walt Whitman. Boodschappenbriefjes; daar is hij mee begonnen. Het hele simpele tot kunst verklaren. Je verwondert je over het gewone. Wat is schoonheid?

Je schrijft in het eerste gedicht over het wonder van iets wat er nog is: ‘Wat soms verwondert: je legt / iets weg en dagen later // ligt het er nog. Iemand komt / terug van het winkelen.’

Daar kan ik me echt over verbazen. Ik ben niet gek, maar het is toch verbazingwekkend: je legt iets neer en dan ligt het er nog. Dat is gewoon en vreemd.

Ik herinner me van mijn jeugd, dat iemand in de mist rijdt en in één keer rijdt hij in Parijs of zo. Je begint in Groningen en je rijdt zo maar in Parijs.

Iemand kan toch zo maar verdwijnen? Dit is het omgekeerde, maar het verbaast me wat ons overkomt.

Ik schreef vanaf mijn zestiende, zeventiende. Ik was geïmponeerd door Lucebert. Ik begreep er niks van, maar ik dacht dat je zo moest schrijven. Het heeft mijn ogen geopend voor de gelaagdheid van de kunst.

Mijn vader was wel bezig met kunst, met typografie en hij tekende. Ik heb zelf een jaar op de Academie gezeten, in Arnhem. Mijn dochter schildert. Het zit er wel een beetje in. Ik was nogal goed in wiskunde en mijn ouders hebben daar een beroep bij gezocht. Als je landmeter wordt, heb je wiskunde nodig.

En daarnaast altijd geschreven?

Ja, en getekend. Toen ik achter in de twintig was, heb ik meegewerkt aan een tijdschriftje met onder andere Hans van Pinxteren en Jacques ter Steeg. Men reageerde positief en toen heb ik gedichten opgestuurd naar uitgeverij De Harmonie, maar ik kreeg een heel vernietigende briefje terug, heel pinnig met gedichten van Elly de Waard als tegenvoorbeeld. Zo wilde ik niet schrijven en vanaf dat moment ben ik gestopt met opsturen. Ik wist niet meer wat ik waard was.

Was je bescheiden of kwetsbaar?

Ik denk het laatste.

Men zegt dat je als dichter de ziel van een vlinder moet hebben, maar wel met leer bedekt.

Ik heb een cursus gedaan aan een grafische school: litograferen en toen zag ik een schrijfcursus en ik dacht: nu wil ik toch wel eens weten of ik het kan. Toen begon ik er weer lol in te krijgen.

Je kreeg veel prijzen later. 

Het waren kleine prijzen, maar de grote opsteker was de SNS-prijs van Nijmegen.

Ik heb uiteindelijk een bundel gemaakt die ik aan Wouter Godijn heb laten lezen. Hij schrapte een aantal gedichten en   zei: ‘Nu heb je een bundel!’ Ik ben weer gaan sturen. Het heeft toen nog drie jaar geduurd, maar goed, nu heb ik drie bundels.

Terug naar ‘Kleinhaas’. In het laatste gedicht van het reeksje zit hij in een café.

Er zit een soort jaloezie in: was ik maar zo, dat ik gemakkelijk contact maakte: ‘(hij) drinkt bier en / rondt de meisjes witte wijn’ en hij vertelt grappen: ‘aan die wichtjes / zijn sloddermopjes door en doorslijt.’

Ik probeer een beetje van de neologismen af te komen.

Niet alleen jaloezie, ook kritiek. Die man is een beetje een lege ijdeltuit. Waarom hebben die meisjes zo veel aandacht voor die man? ‘Kleinhaas wordt hartenbloedserieus’; ‘met wassenkop wint (hij) borstplaat-/zoet daarenboven meisjes zielenzieltjes.’ Hij steelt verhalen. Het gedicht is strofe na strofe ontstaan: het ene riep het andere op.

In de eerste afdeling staan gedichten naar aanleiding van het overlijden van mijn vader. Die zijn in een korte tijd geschreven. Zo’n gedicht als ‘Kamer’ is een beschrijving van wat er gebeurde. ‘Stilaan verdwijnen de stenen uit de keukenkastjes.’ De stenen van de vacantie. Er stond eerst ‘van de vensterbank’ en dat begreep een lezer niet. Hij dacht dat de vensterbank afbrokkelde. Nu zijn ze al een beetje weggestopt.

Het woord ‘steen’ komt in heel veel gedichten van mij voor. Daar wil ik ook mee ophouden.

====

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen