Rik Andreae

DEKSEL VAN DE DOOS

Rik Andreae (1950, Arnhem) groeide op in Emmen.

Hij is werkzaam als landmeter in Groningen; publiceerde drie bundels:
Toerist, Utrecht,Leeuwarden, Uitgeverij De Contrabas, 20?

Tegelijk groen, Utrecht,Leeuwarden, Uitgeverij De Contrabas, 2010

Blootwuilders dij wie binnen, Uitgeverij kleine Uil, 2012

1e prijs Poëziewedstrijd Schrijversschool Groningen 2005 met Cadeau, 27 jan 2005

Drie maal de eerste plaats bij de jaarlijkse Poëziewedstrijd van de Poëziemarathon.

1e prijs Nijmeegse SNS Literatuurprijs 2001 met 7 gedichten: Dit zien, Popmooi, De stad wil, Dorp, 1 op 25000, 14.43.38, Zand, 3 maart 2001.

Victor Vroomkoning zegt in het juryrapport van de Nijmeegse SNS-Literatuurprijs 2001: “Hij is niet bang zich een buil te vallen aan de taal. Zijn gebruik van nieuwe woorden, nieuwe woordcombinaties of van alledaagse woorden in onalledaagse betekenissen is schitterend.”

KLEINHAAS SPREEKT

Kleinhaas is spontaan vandaag:

toen ik was, was ik enorm en

wilde om te tuiten, dansen

in Hema-ondergoed.

Kleinhaas met hand voor mond:

ik wilde vergeten woorden en

vond ze als geuren van turf-

vlees en houterig.

Kleinhaas zag met bloedend oog:

bij bepaalde afgesproken voorvallen

breken tijden met stormen

of ongekende stroom.

Kleinhaas wil langzaam af:

ik knier wat bruis ik en

de koning van de jacht vreet u

met hoed en jas en veters.

Kleinhaas is pardoes altoos:

mijn spiegel ikt. Door mijn oren en

nog iets van de doorntakken

dat nodig branden moet.

Kleinhaas zou willen zijn wat hij is:

deksel van de doos waarin

katten voor ze onverschrokken

angstig zijn slapen.

=

Je schrijft heel eigenzinnige gedichten. Het is oorspronkelijk. Je gedichten zijn heel herkenbaar, dat wil zeggen: ze hebben jouw signatuur. Dat zit ook in de humor. Die gebruik je bewust?

Ik probeer het juist een beetje minder te doen. De allereerste gedichten, van dertig jaar geleden, waren heel erg komisch, maar daar wilde ik van af.

Je gebruikt veel neologismen, zoals ‘tuiten’, ‘ik knier wat’.

‘Hema-ondergoed’ is heel gewoon, maar het is ook bijzonder dat hij daar in danst. Er zit veel zelfspot in Kleinhaas.

Ja, hij is aan het woord. ‘toen ik was’: toen ik bestond. Toen was hij ‘enorm’ in blijdschap.

‘tuiten’ is een vreemd werkwoord. Wat betekent het?

Dat moet je me niet vragen. Het is te lang geleden. Wat denk je?

Ik denk aan Vromans Jeldican. ‘Het woord ondertussen tuitte eens zo hard.’ Jeldican is een vreemd dier, een soort kruising tussen een hagedis en een nar. Kleinhaas is een verbijzondering van de dichter?

Het is in ieder geval geen dier. Het is een persoon. Hij zal wel een beetje de dichter zijn, maar er ook de ergenis over sommige mensen. Het is ironisch.

‘Kleingeist’, een zielig mannetje?

Ik weet het niet precies. Het zijn eigenlijk drie gedichten. De middelste heb ik in vieren gedeeld, maar oorspronkelijk waren het verschillende personen, die een rol speelden. Toen bedacht ik een naam: Kleinhaas. Een haas met een klein hartje. Springerig, spontaan, bang. De haas is een speciaal dier. Hij komt wel vaker in mijn werk te voorschijn. Hij is ook verlegen.

Hij wil vergeten woorden gebruiken. Ze ruiken naar turf.

Woorden zijn voor jou dingen.

Dat klopt. Een gedicht is een ding van woorden. Woorden hebben een eigen karakter. Vergeten woorden zijn ook ouderwetse woorden. Er staat ook ‘altoos’.

Dat ‘bloedend oog’ snap ik niet meer zo goed. Bloeddoorlopen?

‘afgesproken voorvallen’: dat is een tegenspraak.

‘Kleinhaas wil langzaam af’: ik dacht aan het afgaan op het toneel. Hij gaat er ongemerkt vandoor. Hij wil niet opvallen.

‘de koning van de jacht’: een jager. ‘met hoed en jas’: met huid en haar. Kleinhaas doet zo maar iets; hij laat zich door de omstandigheden bepalen.

De spiegel laat zien hoe hij is. Hij ziet zich zelf.

De doorntakken branden; een bijbelse connotatie?

Ja, ik dacht, dat moet maar even hier. Ik weet niet hoe dat gaat. Het zijn woorden die omhoog komen. Ik ben niet bijbels opgevoed, maar je krijgt altijd wel iets mee.

Kleinhaas is ‘de deksel van de doos’. Het zijn dingen die je tijdens het schrijven overkomen. De kat verstopte zich, ging al spelendf in een doos zitten. Er lag nog een deksel half op en die viel toen dicht geloof ik. Dat beeld heb ik gebruikt.

Je laat je leiden door toevalligheden, door invallen en niet door de rede.

Ja, dat klopt. Het zijn niet alleen maar invallen. Het is heel merkwaardig: als je iets schrijft, maak je dingen mee, die heel goed in het gedicht passen. Als je ergens niet uitkomt en je gaat zoeken in een woordenboek, dan vind je het woord dat past. Je wist het van te voren niet. Het komt natuurlijk omdat je er heel erg op gespitst bent.

Het heeft wel even geduurd voor het iets geworden is. Ik hou van parallellen. Het is ieder keer dezelfde strofe in feite. Elk kwatrijn begint met ‘Kleinhaas’. Elke tweede regel eindigt met ‘en’, wat eigenlijk niet mag. Nou ja… Ik vind het leuk om een vaste vorm te kiezen.

Dit zijn van die gedichten waarvan ik bijna niet meer weet hoe ze ontstaan zijn.

Je laat je leiden door gevoel, door beelden, door gedachten die zo maar opkomen.

Vooral dat laatste. Je staat op en je hebt een zin in je hoofd, je schrijft hem op en het gaat verder. Ik luister naar mijn onbewuste.

Surrealisme?

Ja, zeker. Ik hou van Dada, Jarry. Ubu en de patafysica. Het is wel gebonden aan het rationele. Je zoekt een wetenschappelijke verklaring voor ‘onzin’. Dat vind ik prachtig. Je draait de boel daarmee om. Alles wat zo serieus lijkt, fascineert me.

Op mijn zeventiende vond ik het boek van Bernlef en Schippers over Dada: Een cheque voor de tandarts.

Walt Whitman. Boodschappenbriefjes; daar is hij mee begonnen. Het hele simpele tot kunst verklaren. Je verwondert je over het gewone. Wat is schoonheid?

Je schrijft in het eerste gedicht over het wonder van iets wat er nog is: ‘Wat soms verwondert: je legt / iets weg en dagen later // ligt het er nog. Iemand komt / terug van het winkelen.’

Daar kan ik me echt over verbazen. Ik ben niet gek, maar het is toch verbazingwekkend: je legt iets neer en dan ligt het er nog. Dat is gewoon en vreemd.

Ik herinner me van mijn jeugd, dat iemand in de mist rijdt en in één keer rijdt hij in Parijs of zo. Je begint in Groningen en je rijdt zo maar in Parijs.

Iemand kan toch zo maar verdwijnen? Dit is het omgekeerde, maar het verbaast me wat ons overkomt.

Ik schreef vanaf mijn zestiende, zeventiende. Ik was geïmponeerd door Lucebert. Ik begreep er niks van, maar ik dacht dat je zo moest schrijven. Het heeft mijn ogen geopend voor de gelaagdheid van de kunst.

Mijn vader was wel bezig met kunst, met typografie en hij tekende. Ik heb zelf een jaar op de Academie gezeten, in Arnhem. Mijn dochter schildert. Het zit er wel een beetje in. Ik was nogal goed in wiskunde en mijn ouders hebben daar een beroep bij gezocht. Als je landmeter wordt, heb je wiskunde nodig.

En daarnaast altijd geschreven?

Ja, en getekend. Toen ik achter in de twintig was, heb ik meegewerkt aan een tijdschriftje met onder andere Hans van Pinxteren en Jacques ter Steeg. Men reageerde positief en toen heb ik gedichten opgestuurd naar uitgeverij De Harmonie, maar ik kreeg een heel vernietigende briefje terug, heel pinnig met gedichten van Elly de Waard als tegenvoorbeeld. Zo wilde ik niet schrijven en vanaf dat moment ben ik gestopt met opsturen. Ik wist niet meer wat ik waard was.

Was je bescheiden of kwetsbaar?

Ik denk het laatste.

Men zegt dat je als dichter de ziel van een vlinder moet hebben, maar wel met leer bedekt.

Ik heb een cursus gedaan aan een grafische school: litograferen en toen zag ik een schrijfcursus en ik dacht: nu wil ik toch wel eens weten of ik het kan. Toen begon ik er weer lol in te krijgen.

Je kreeg veel prijzen later. 

Het waren kleine prijzen, maar de grote opsteker was de SNS-prijs van Nijmegen.

Ik heb uiteindelijk een bundel gemaakt die ik aan Wouter Godijn heb laten lezen. Hij schrapte een aantal gedichten en   zei: ‘Nu heb je een bundel!’ Ik ben weer gaan sturen. Het heeft toen nog drie jaar geduurd, maar goed, nu heb ik drie bundels.

Terug naar ‘Kleinhaas’. In het laatste gedicht van het reeksje zit hij in een café.

Er zit een soort jaloezie in: was ik maar zo, dat ik gemakkelijk contact maakte: ‘(hij) drinkt bier en / rondt de meisjes witte wijn’ en hij vertelt grappen: ‘aan die wichtjes / zijn sloddermopjes door en doorslijt.’

Ik probeer een beetje van de neologismen af te komen.

Niet alleen jaloezie, ook kritiek. Die man is een beetje een lege ijdeltuit. Waarom hebben die meisjes zo veel aandacht voor die man? ‘Kleinhaas wordt hartenbloedserieus’; ‘met wassenkop wint (hij) borstplaat-/zoet daarenboven meisjes zielenzieltjes.’ Hij steelt verhalen. Het gedicht is strofe na strofe ontstaan: het ene riep het andere op.

In de eerste afdeling staan gedichten naar aanleiding van het overlijden van mijn vader. Die zijn in een korte tijd geschreven. Zo’n gedicht als ‘Kamer’ is een beschrijving van wat er gebeurde. ‘Stilaan verdwijnen de stenen uit de keukenkastjes.’ De stenen van de vacantie. Er stond eerst ‘van de vensterbank’ en dat begreep een lezer niet. Hij dacht dat de vensterbank afbrokkelde. Nu zijn ze al een beetje weggestopt.

Het woord ‘steen’ komt in heel veel gedichten van mij voor. Daar wil ik ook mee ophouden.

====

Advertenties

Over remcoekkers

schrijver, dichter, interviewer, recensent
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s