Weerzin en woede: Menno Wigman

Weerzin en woede

 

 

Menno Wigman (1966) is dichter, vertaler en essayist. In 1997 debuteerde hij met de veelgeprezen bundel ’s Zomers stinken alle steden. Voor zijn bundel Zwart als kaviaar (2001) ontving hij de Jan Campert-prijs. In 2010 verscheen Red ons van de dichters, een bundel beschouwingen waarover Het Parool schreef: ‘Zolang Wigman dicht en schrijft over dichten, komt het met de poëzie wel goed.’

 

 

                                    Daarop vroeg Hij hem: ‘Wat is uw naam?’

                                    ‘Mijn naam is Legioen, want wij zijn met velen.’

 

                                                                              Marcus 5:9

 

 

Je gebruikt een citaat uit Marcus: ‘Mijn naam is Legioen’. De duivels worden in varkens gedreven en storten in de afgrond. Het is een beeld. In het gedicht ‘Nachtrit’ komt het voor. Dat heb ik begrepen als alle mannen die op seksuitzijn.

Maar ook de dichter is bezeten door demonen.

 

Het wordt daar oneigenlijk gebruikt. Ik heb het citaat eerder als motto gebruikt in een logboek over mijn verblijf als writer in residence van de psychiatrische kliniek van Den Dolder. Het heeft daar echt met waanzin te maken. In deze bundel staat een reeks gedichten die inderdaad over waanzin gaat, maar in dit specifieke gedicht gebruik ik die woorden meer om er een Elckerlijc mee op te voeren. 

   Er is niet één zo’n man: ze zijn met velen.

 

Nachtrit

 

Man, eenentwintigste eeuw, kaal, gezet

en met een onvervreemdbaar recht op seks 

(‘Mijn naam is Legioen, wij zijn met velen’),

jaagt door de late nacht over de weg 

en wil zijn lichaam met gevrouwte delen. 

 

De pompen van de Shell. Het pooierslicht.      

Vol moed een meisje achter glas betalen. 

Vol moed aan nieuwe vrouwen denken, echt, 

elektrisch, kil, verhit, maar denken, denken –

een hersenhond, onthand en underfucked,

 

al jaren in zichzelf verongelukt, 

maar met drie namen in zijn telefoon, 

drie namen vol belofte van geluk. 

Hij belt. Zijn recht op seks. Op scherpe meiden. 

Waarom heb ik toch medelijden?

 

 

Hij jaagt over de weg, hij wil zijn lichaam met gevrouwte delen. Hersenhond, dat is een mooie vondst. We zijn dieren die kunnen denken.

 

Het gaat over een man die ’s nachts over de snelweg dwaalt. Hij heeft drie namen in zijn telefoon, vrouwen naar wie hij toe kan. 

 

De dichter vraagt: ‘Waarom heb ik medelijden met die man?’

 

Ik dacht ook dat het een metafoor is voor de dichter zelf. Hij is bezeten door vele demonen. Door wie moeten ze worden uitgedreven?

 

De slotregels zijn de allerlaatste die ik voor deze bundel heb geschreven, op het Gare du Midi in Brussel als je het precies wilt weten. De demonen moeten gevangen worden in strakke gedichten. De taal moet orde brengen in de meest verwarrende gedachten. Maar of ik mijn beelden ook in de hoofden van de lezer  kan jagen zou ik niet durven zeggen.

 

Dan volgt daarop het gedicht ‘Tiergarten’.

 

Tiergarten 

 

Stof, roet, stormvuur. Het apenhuis in puin. 

Verbrande panters. Zebra’s zonder huid. 

         Diep onder rokend gruis

hemelt een olifant, een hert hinkt weg   

en op het kerkdak hekst een condor rond. 

       

De vleugels met het luik, ze zijn weer thuis

en laten doodgewone jongens uit. 

         Verdoofd aarzelteen aap 

zijn ogen bij elkaar, een jakhals sluipt 

een bioscoop voorbij, de hitte blijft. 

 

Werd er gesproken, later, aan het graf,

niet bij de leeuwen die we moesten doden.        

         Maar door de grachten zwom

een zeeleeuw en een condor hield een preek.

         Het hele apenhuis bezweek. 

 

 

De helft van deze bundel is in Berlijn geschreven. Ik zit veel in Berlijn, maar dicht er niet vaak over, daar is de stad te immens voor. Het is misschien meer de stemming waarin ik daar soms verkeer, die tot deze gedichten heeft geleid.

 

Het gedicht lijkt te gaan over de dierentuin.

 

Dat doet het ook. 

 

Het is ook een metafoor voor de situatie daar:’ puin en stof’. De bombardementen van ’45.

 

Het apenhuis is inderdaad een metafoor voor de mensheid. Eén grote gekte, chaos. 

 

Je hebt daar als dichter de ‘genius loci’ gevoeld.

 

De laatste vijftien jaar wordt er veel geschreven over de bombardementen op Duitsland. Een van de eersten die het aankaartte was W.G. Sebald. Die heeft het ook ergens over een dierentuin. Zo kwam ik op het spoor van de memoires van de directeur van de Berlijnse Tiergarten. Een hoofdstuk uit dat boek gaat over de chaos die ontstond toen de geallieerden daar hun bommen op lieten vallen. Hij schrijft ook over de verzorgers in de dierentuin. Het is een onwaarschijnlijk drama geweest. 

   Na Sebald schreef de historicus Jörg Friedrich ‘Der Brand’ (2004). Dat boek heeft veel losgemaakt in Duitsland. Later heeft Friedrich ook een fotoboek gepubliceerd. Daarin zie je afschrikwekkende foto’s van die dieren. Kijk, hier zie je een foto van die olifant ‘die hemelt’. 

   Dieren roepen soms hevige gevoelens op bij mensen. Dat is een merkwaardig verschijnsel. Het geeft voor mij de waanzin van de oorlog heel prangend weer.

 

Je woontin Prenzlauerberg.

 

Ik huur daar een woning met vijf andere mensen. Per e-mail gaat er een schema rond. Sommige huurders werken aan biografieën of scenario’s, sommigen schrijven verhalen. Er zijn daar redelijk wat manuscripten afgemaakt. Het wonderlijke van die woning is dat iedereen daar onwaarschijnlijk geconcentreerd kan werken. Er hangt ‘ein guter Geist’. 

   Soms denk ik wel eens dat er een schrijver of een begenadigd journalist heeft gewoond. Ik zit er soms twaalf, dertien uur per dag aan mijn gedichten te werken. Er is geen tv, geen internetaansluiting, niets dat je kan afleiden. Het is een ideale ruimte om buiten de tijd te vallen.

   Het huis staat in voormalig Oost-Berlijn. De straat is helemaal opgeknapt, behalve dit huis. We betalen dan ook amper huur.

 

Hitlermüde 

 

Berlijn. Ik had geneukt en nam een douche.

Toen sloop de Holocaust weer in mijn hoofd. 

Ik zag mijn pik en telde tegels, wit,

ze waren wit, ik telde en een mist 

van ademnood vertroebelde mijn zicht. 

 

Ik las ik weet niet hoeveel boeken, bleef                      

maar in het leven van Adolfus wroeten,    

de zeven scheppen suiker in zijn thee,

Geli, Eva, teelbal, spuuglok, zweep – wat                 

moest ik ermee? Hier onder deze douche, 

 

hier in een warm en doordeweeks Berlijn,                    

hier gleed mijn schaamte in een doucheput weg, 

kon ik nooit laks, te laat of schuldig zijn.      

En licht en fris en hevig Hitlermoe

stapte ik weer op haar kamer toe.      

 

Van de oorlog en Hitler krijg je op een gegeven moment genoeg. ‘Hitlermüde’.

 

Berlijn is een fascinerende stad, maar er zijn zo veel monumenten, bordjes en alles, Stolpersteine, koperen plaatjes in het trottoir van de huizen waar joden woonden, dat het je soms gaat duizelen. Je kunt er hoe dan ook niet aan ontkomen. Ik vind het misselijk om van een Holocaust-industrie te spreken, maar soms kom je om in alle ellende van het verleden.

 

Dit is de chaos van de politiek en de Wereldbrand. In de vierde afdeling van je bundel gaat het over de chaos in hoofden. Den Dolder.  Je schrijft: ‘Er zijn gevoelens die fascistisch zijn.’  

 

=======================================================

‘Toen ik hier op de eerste dag wegwijs werd gemaakt door Boudewijn van Grunsven, de zakelijk leider van Het Vijfde Seizoen, bezwoer hij me dat er één plek was waar ik beter niet naartoe kon gaan: het zwembad. Daar zouden zwakzinnigen hun urine verliezen en kreeg je voor je het wist afbraakstoffen van allerlei soortenmedicijnen binnen. 

   Juist het beeld van een zwembad vol zwakzinnigen riep meteen een gedicht in me op. Misschien paste het wonderwel bij de andere gedichten die ik over een supermarkt, een vuilstort en een reactor schreef. Waar het zwembad precies ligt blijft onduidelijk, ook de portier kan me niet helpen. In het café spreek ik wat Doldenaren. Niemand weet iets van een zwembad in zijn dorp. Uiteindelijk ontdek ik dat het achter het heuveltje bij mijn paviljoen ligt ().  

   Omdat ik tot diep in de nacht zit door te tikken kwam het er tot nu toe niet van het zwembad te bezoeken. Maar vandaag liep ik tegen het eind van de middag het zwembad binnen. Dagenlang had ik me over de vraag gebogen hoe ik mezelf moest introduceren. Uiteindelijk leek het me het beste te zeggen dat ik hier graag wilde zwemmen en dat ik benieuwd was naar de zwemtijden, misschien moest ik me zelfs voordoen als een onnozele ziel die, Wigman waar begin je aan, op het terrein verdwaald was.

   Geen portier of badmeester te zien. Wel twee pezige jongens die achter een glazen wand in het zwembad krampachtig proberen te zwemmen. Als ik een witbetegelde, naar chloor en droeve jeugdherinneringen ruikende gang in loop, hoor ik opeens een onmetelijk, bijna voorwereldlijk gebrul achter me. 

   Snel loop ik door. Ik kom bij een kamertje waar drie vrouwen shag rokend de dag zitten door te nemen. Zo stupide mogelijk vraag ik naar de uren waarop ik hier misschien zou kunnen zwemmen. Het gebrul, ondertussen, houdt goedaan. 

   Een voyeur ben je, dacht ik, een vuile voyeur die hier een beetje komt kijken hoe zwakzinnige jongens baantjes trekken – en zo was het ook. Nooit eerder had ik zo’n waardering voor journalisten die op de vreemdste plaatsen de meest onbetamelijke vragen moeten stellen. 

   Het lukt. Dat ik hier niet kan zwemmen, dat verbaast me niet eens zo, het lucht zelfs, met al dat gebrul door die gangen, wat op.     

   Wie weet moest ik Erik Jan eens spreken,een kleine man met een vriendelijk rond gezicht, goede kans dat hij hier door het gebouw loopt, hij kan me vast vertellenof ik hier misschien toch kan zwemmen.

   Ik loop terug naar de glazen wand en zie een diepgelukkige jongen in het water. Dunne, spitseschouderbladen, een witte ribbenkast en twee felle,nagenoeg extatische ogen. Nirwana, wit nirwana. 

   Dan loop ik Erik Jan tegen het lijf. Opnieuw vraag ik zo dom mogelijk naar de zwemtijden. Er ontspint zich – misschien had ik toch diplomaat moeten worden – een lang, heel lang gesprek, we sluiten later zelfs samen af. Over zwembadtijden gaathet, over het regelen van de juiste temperatuur, over zijn vader en grootvader die ook al op de Hoeve werkten, een woord als ‘flatneurose’, catatonische Marokkanen, de komst van de euro, vakanties in Drenthe, zijn dochter die nog van bijles opgehaald moet worden.

   En al die tijd kijk ik stiekem naar de jongen in het bad en steek ik stiekem een nieuw gedicht in mijn zak. Inmiddels, we zijn twee weken verder, staat ook de laatste regel er:

 

Zwembad Den Dolder

 

Er zijn gevoelens die fascistisch zijn.

De vader die niet weet waarom hij slaat,

de zoon die half verblind in foto’s krast.

 

De mooiste idioot die ik ooit zag

lag op zijn rug een heel heelal te zijn.

Geen vader kreeg ooit greep op deze pees

 

die als een kosmonaut het bad door dreef,

geen moeder stookte in zijn vissenkom.

En wit en scheef en wijs zwom hij. Hij zwom.’

 

(Uit: ‘Het gesticht. Drie maanden Den Dolder’, Prometheus, 2007)

 

====================================================== 

  

 Het deed me denken aan Vasalis’ ‘De idioot in bad’.

 

 Dat speelt ook mee.

 

‘De waanzin zelf gaat goed gekleed. / Zijn werk vergt tact, precisie ook. / Dus kruist hij namen aan.’ Bijna ook een relatie met Hitler. Vreselijk dat dat kan. Dat de schepping zo is. Luther die met zijn inktpot naar de verschijning van de duivel gooit. Feith met zijn grafgedichten. Overal zijn demonen.

 

‘tot jou en mij geen mens / die zijn stramien begrijpt.’

 

Deze gedichten zijn vrij oud, die heb ik geschreven toen ik als gastschrijver in Den Dolder zat. Ik kreeg te horen dat ik overal mocht komen, maar er was één plek die me werd afgeraden en dat was het zwembad, want daar zouden allerlei stoffen in het water zitten van medicijnen. Dat sprak natuurlijk tot mijn verbeelding. 

   Het was de bedoeling dat ik me liet inspireren door de cliënten en ook iets met ze ondernam. Dus sloot ik mijn verblijf af met een voordrachtmiddag. Buitengewoon aangrijpend. Ik was er ruim drie maanden. Ik heb daar ook wel angsten doorstaan. Wat meespeelde was dat ik ben opgegroeid in Santpoort, waar in mijn jeugd een van de grootste inrichtingen van Nederland stond. Sinds een jaar of zes is die inrichting opgeheven. Op de een of andere manier zat ik in Den Dolder mijn jeugd opnieuw te beleven. Maar toen ik na al die maanden weer in Amsterdam terugkwam, dacht ik: dit is toch de grootste open inrichting. 

 

Godverdedomme

 

Blinde, dove, rodmoordenaar & rover

van all wat ik bezit, ik waarschuw je. 

Crisofreen & manisch, zoals jij beweert.

 

Maak dat manisch en crisofreen maar eens 

duidelijk waar; en schrijf mij de symphtonen

eens op papier, stuk verdriet & Leugenaar.

 

Dat durf je niet. Schrijf me op Papier 

dat ik z.g. ziek moet zijn, volgens jouw

dubbele gespleten Judastong.

 

Dat kun en durf je niet. Weg wil ik, 

dan van jou, en met ontslag gaan

vanuit dees Dodendal, vol mensen 

 

die door jou begiftigd zijn.

Ik wacht dierek op antwoord. 

Schriftelijk. Godverdedomme.

 

‘Godverdedomme’; dat lijkt wel een ready-made.

 

Dat is het ook. Een cliënt leende me een grote stapel brieven en dit is er een van, maar dan in strofen opgedeeld. Ik wilde al langer een gedicht maken over een cliënt die één grote tirade zou houden tegen de directeur van de kliniek. Zoiets komt vaak voor. Dit was gefundenes Fressen voor mij. Ik geniet nog altijd van die heerlijke spelfouten, hoe wanhopig de aanklacht ook is.

 

Ver van de steden trekken bomen tegen bomen op. 

               Takken, wortels, alles wurgt 

elkaar, struiken vechten en verdelgen, gras wint alom veld. 

   Niks ruikt naar God. De aarde neemt een nieuw begin.

         De dieren voeren eensgezind een paspoort in. 

 

De chaos van de natuur.

Niks ruikt naar God. De chaos van deze wereld. De wereld deugt niet. Of de schepping deugt niet. Je bent niet voor niks een groot liefhebber van Schopenhauer.

 

Die ben ik pas vrij laat echt gaan lezen. Hij maakte een meer dan diepe indruk op me. Ook omdat het zo briljant opgeschreven is. Onontkoombaar. Veel van die Franse decadenten lazen Schopenhauer ook. Hij was een veelgelezen auteur eind negentiende eeuw. De wilskracht van elke plant is de wens om te overleven, ten koste van alle andere. 

 

Nu over de gedichten over eenzame doden. Ook dat is chaos. Wat heeft je bewogen om mee te doen aan het project van F. Starik?

 

Ik ken Starik al heel lang. Begin jaren negentig hadden we een band, de Willem Kloos Groep. Met die band zetten we uitsluitend gedichten van dode dichters op muziek. Ik was de drummer en droeg soms zelf ook gedichten aan.

   Het idee van de eenzame uitvaart is afkomstig van Bart FM Droog en stamt uit de tijd dat hij stadsdichter van Groningen was. In Amsterdam heeft Starik een stichting in het leven geroepen. Ik vond het meteen een schitterend idee. Het heeft iets heel barmhartigs. Wat je er tegen in zou kunnen brengen, is dat de dode er zelf niets aan heeft. Er zijn ook mensen die bewust antisociaal leven. Het zou best eens kunnen dat sommige mensen een uitvaart wensen waar geen ziel bij komt kijken. Maar goed, dat het idee zo aanspreekt komt, denk ik, doordat het voor de meeste mensen een schrikbeeld moet zijn om door alles en iedereen verlaten te overlijden. Ik vind het een heel humanistisch, een heel mooi gebaar. 

 

Barmhartigheid. Dat heeft een christelijke smaak.

 

Ik heb geen religieuze opvoeding gehad.

 

Maar diep in jou en waarschijnlijk in alle dichters zit de gedachte dat het niet alleen maar materie kan zijn. Er moet iets van geest zijn. Geen persoonlijke God, maar een ‘superbewustzijn’ of hoe je het ook moet noemen.

Waar komt die barmhartigheid vandaan? Er zijn politici die zeggen: ‘Sodemieter op, schuif die junks en criminelen in een graf, zand er over en dan hoef je maar twee mensen te betalen.’ Starik schrijft in zijn nawoord: ‘En waarom subsidie?’ Een dichter moet betaald worden, net als de kistenmaker of de koffiejuffrouw.

 

Het zegt iets over onze samenleving. Ik denk dat met die eenzame uitvaartgedichten een volstrekt nieuw poëziegenre is ontstaan, uniek in de hele wereld. Poëzie raakt in dit geval aan de samenleving, hoe mensen met elkaar omgaan, hoe mensen bewust of onbewust vereenzamen. Als je daar naast een kist staat, in een lege aula, dan volvoer je een ritueel dat volstrekt anders is dan wanneer je voor een publiek staat te lezen. Je zou haast kunnen zeggen dat je als dichter, al is het maar voor een paar minuten, een geestelijke vervangt. 

   Weet je wat me altijd zo verbaasd heeft? Dat er in Rotterdam, waar het project sinds een paar jaar is overgenomen, bijna geen enkele eenzame uitvaart heeft plaatsgevonden. Vreemd, heel vreemd, want in mijn ogen is Rotterdam toch heel wat harder dan Amsterdam. Er moeten daar ongetwijfeld verstekelingen om het leven komen. Het is een internationale havenstad. Maar wat blijkt? Laatst ontdekte Ester Naomi Perquin, de huidige stadsdichter van Rotterdam, dat de gemeente telkens een dame van het stadsdeel naar zo’n uitvaart stuurt, zodat ze kunnen zeggen dat het helemaal niet om een eenzame uitvaart gaat. Die onzin met die dichters ook!

   In Groningen is het rustig gebleven. De stadsdichter daar leest af en toe. In Den Haag ook. Maar in Amsterdam gaat het maar door.

 

Het is dat men de straten kent

 

Daar heeft die man gelegen, dag en nacht – 

na tachtig kranten vond men hem, plat, zwart,

met op zijn borst de laatste resten van een kat.  

 

Daar, in diezelfde straat, staat ook een kerk 

waarin laatst camera’s zijn aangebracht.

Slaapt God? Nee, er zijn dieven onder ons

 

die – Alziend Oog of niet – naar zilver spieden,         

kandelaars en kanselbijbels roven        

en Christushoofden van de wanden slopen.        

 

Je bent er niet. Of als ik het niet zie, 

hoe komt het dan dat in haast elk pand

waar je geprezen wordt een loeroog hangt?

 

Je bent er niet. En mocht ik niet goed kijken,

soms denk ik aan die ziel die drie hoog dood lag,

hoe daar een metgezel maar zwierf en kwijnde,

                                                   

toen heel zijn vacht tegen een borst aan vlijde. 

 

Dit gedicht gaat over je woede. Ziet God niks? Is er geen God die zich barmhartig over ons buigt? Dat zie ik in al je werk terug: woede en weerzin.

 

Goed gezien. Maar dit is een ander soort eenzame uitvaart-gedicht. Toen het project in Rotterdam van start zou gaan, was er een gesprek met mensen van de gemeente en ergens in dat gesprek liet een ambtenaar zich ontvallen dat er ooit een man was aangetroffen in een woning, drie hoog. Hij lag midden in zijn kamer. Op zijn rug. En op zijn borstkast lag zijn kat. 

   Dat beeld is me wekenlang bijgebleven. Ik moést erover schrijven. 

   Het gaat ook over diefstal van religieuze voorwerpen. En dat er in heel wat kerken in Nederland bewakingscamera’s zijn opgehangen. 

   Er is sprake van woede, zeker, maar het is geciseleerde woede anders zou het geen poëzie zijn.

   Het tweede motto van mijn bundel geeft die woede ook weer, het heeft een schitterende cadans, maar is zo simpel als wat. Het is van Johnny Rotten: ‘Fuck this and fuck that / Fuck it all and fuck the fucking brat’.          

 

 

Medelijden met de lezer 

 

Een boek? Van kaft tot kaft? Ik mis de kracht.

Zelfs een gedicht mat nu al af. Ik denk 

dat ik me aan gedichten overat, 

zit maar te staren naar mijn boekenkast 

en lijd al maanden aan een reader’s block,   

 

zo hevig dat ik haast van letters kots.

 

En dit gedicht dat geen gedicht wil zijn,

dat op zijn rug ligt en geen daglicht krijgt,

in godsnaam, wat moet ik ermee? Geef toch toe 

dat je steeds stroever woorden aan elkaar reeg, 

toen moe werd van je delicate geest, 

 

toen medelijden met de lezer kreeg.

 

Dinsdag. De stad begluurt de stad. Niets doen. 

Niets willen doen. Dood van een jongensdroom. 

Eerzucht. Begeerte. Alles doorgebrand.

Iets met verdwaasde hoogmoed, dunne roem 

en een goddelijk trauma dat ik niet noem. 

 

De manieren om afgeleid te worden zijn zo hevig toegenomen dat ik me oprecht afvraag hoe iemand een boek van driehonderd pagina’s kan lezen. Ik maak me soms echt zorgen. 

 

Zo’n tweede strofe: staat die er meteen? 

 

O nee, er zijn wel zestig probeersels. Ik zit vaak als een stratenmaker van a tot z te werken. De eerste zin heb ik soms al heel lang en het beeld of de beelden die ik wil beschrijven draag ik ook vaak al langer met me mee. Bij dit gedicht, in Berlijn geschreven, stonden de eerste vier regels er al vrij snel. Maar opeens loop ik vast. Ondertussen maak ik aantekeningen, schrijf ik allerlei sleutelwoorden boven het gedicht. Vaak heb ik al na een stuk of zeven regels de slotregel. Ik werk dus bewust ergens naar toe. Maar het is een vreselijk gezwoeg, soms op het pathologische af. Misschien ook wel omdat ik alles probeer te vangen in vijfvoetige jamben, in mijn ogen de gulden snede voor de Nederlandse dichtregel.

   Ik doe er alles aan om de klanken naar elkaar te laten lonken. Vaak gebruik ik halfrijm, dat heb ik van Maurice Gilliams en Charles Ducal. Bijna altijd staand of mannelijk. Dat is robuuster. Agressiever ook. 

   Na de eerste strofe heeft het misschien een maand of twee geduurd voordat de tweede kwam.

   Het gedicht is opgebouwd in drie strofen. Je beweert iets in het begin. Dat zijn soms provocatieve mededelingen en dan ga je daar in de volgende strofe tegenin. En op het einde probeer ik vaak een mooi afgerond geheel te maken: these-antithese-synthese, zoiets. Als een gedicht maar doorkabbelt, als een lieflijk beekje, kan het natuurlijk ook fraai zijn, maar volgens mij wordt het spannender als je jezelf in de rede valt.

 

Je hebt twee jaar les gegeven aan dichters?

 

Ja, in Delft. Een fraaie bijkomstigheid is dat ik al lesgevend veel over mijn eigen gedichten kwam te weten.

 

Er zit iets paradoxaals in het schrijven van poëzie. Waarom zou je het doen? Weinig mensen lezen het. Wat voor hoogmoed is het? ‘Iets met verdwaasde hoogmoed’,‘dunne roem’.

Een eenzame dode vraagt het ook aan de dichter die voor hem leest: 

 

‘En u die nu uw hoge woorden weegt, 

u die hier droog een stuk muziek afspeelt,

u die mijn romp versleept en daarna toch weer  

woorden heeft: deze dode doet niet mee.’

 

In je essaybundel ‘Red ons van de dichters’ zet je je ook af tegen het opdringerige van poëzie in de samenleving.

 

Ik vraag me af of poëzie wel het juiste middel is om je woede te uiten. Veel poëzie glijdt als babyolie langs je heen. Daar moet je je voor hoeden.

 

Je zegt ergens dat je een goede leraar Nederlands hebt gehadop het gymnasium. Hij heeft jou tot de poëzie gebracht. Als je die nou niet had gehad?

 

Dan was ik nu het brein achter een grote criminele organisatie geweest. Maar goed, hij was een groot didacticus. Op een middag deelde hij onder de leerlingen de bloemlezing van Gerrit Komrij uit en zei toen: zoek een gedicht uit dat je ronduit slecht vindt. Ik stuitte op een vermolmd sonnet van Bastiaan van Heyningen (1865-1889) en ik moest het toevallig als eerste voorlezen. Toen ik de woorden hardop uitsprak, merkte ik dat ze door een geheimzinnig ritme werden voortgestuwd. Het zat behoorlijk ingenieus in elkaar en het rijm had iets bezwerends. Ik geloof dat de poëzie mij toen veroverde.

 

(Thuis zie ik dat het gedicht geschreven is in een vijfvoetige jambe. )

 

Ik schreef mijn naam vroeger met ch, opdat de mensen zouden denken dat ik een kleinzoon van Erich Wichman was. Hij is de schrijver van ‘Het witte gevaar’, een meedogenloos schotschrift tegen Hollandse ‘melkgebruikers’. Hij noemde zichzelf een principieel alcoholist. 

 

Je bundel begint heel provocerend met een gedicht dat‘Tot mijn pik’ heet. Waarom doe je dat?

 

Ja, waarom doe ik dat? Om meteen met de deur in huis te vallen. Om al bij de voordeur van mijn bundel te waarschuwen dat ik geen ‘lieflijke dichter’ ben. Het gedicht is een resumé van een periode van diepe neerslachtigheid. En het gaat ook over dichten. 

 

Geloof je echt dat poëzie kan provoceren?

 

Lijkt me wel. Door de hele geschiedenis heen. 

 

Je begon als punker, had een hekel aan vage hippies. Protest tegen een verkeerde wereld is een constante in je werk. De enige manier om de wanhoop te bezweren is het schrijven van stevige gedichten.

‘Zocht ik een woord voor alles waar geen woord voor is,schrijf je in datzelfde gedicht. Waarom dan dichten?

 

Omdat ik niet veel anders kan. Trouwens, in datzelfde gedicht staat ook: ‘Ik wil geen weemoed die niks kost.’ Dat is voor mij een sleutelzin. Er is sprake van een weemoedige toon, goed, maar het mag nooit vrijblijvend zijn. 

 

 

 

 

============

 

Advertenties

Over remcoekkers

schrijver, dichter, interviewer, recensent
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s