Lucas Hirsch Rebels en gevoelig

 


Lucas Hirsch (1975) is dichter te Haarlem. Hij publiceerde bij De Arbeiderspers eerder de bundels familie gebiedt (2006) en Tastzin (2009). Onlangs is zijn derde bundel, Dolhuis, verschenen. Hirsch publiceerde zijn werk de laatste jaren in een aantal Nederlandse, Vlaamse en Amerikaanse tijdschriften. Hij is ook performing poet.

==

vijftien vadem diep

 

bijna kinderliedjes onthouden

de deining ingezet op vijftien vadem diep

 

aan het ij de stad een galmbak

groots gebarend de totaalplaat ontvouwen

 

de regels voor mijn huis mijn hoed opgehouden

gegroet oh dak mijn dankbaar dak in spe

 

rebels als je bent

ontkend gehurkt tussen de bloemen

 

in het park prevelt de ober

hoe goed het smaken heeft

 

ik denk en geur dan zomer stad rivier

en jij daarover

 

oude lengtemaat de vaardiepte is

makkelijk te meten door het touw tussen

de handen aan de gestrekte armen binnen te halen

 

voor toepassing op land gedefinieerd als zes amsterdamse voeten

weet jij staat er achter tussen haken

 

is zeer handig wanneer je je

plaats vindt onder de inmiddels opgevouwen zoldering

het water en de bomen zo klein

 

suggereren dat er iets ontbreekt vergeten is

vandaar dit schrijven perfecte flaneur

 

het hummen van de melodie mijn lippen rijstpapier

het maakt niet uit dat ik de stad oppak en blaas

 

==

 

Dit gedicht heb ik in opdracht geschreven.

Daarom de titel?

 

Ik denk vanwege het ritme. Het kan zijn dat ik het onbewust ergens heb meegepikt. Ik heb geschiedenis gestudeerd en heel veel over Amsterdam gelezen. Over het IJ en de ontwikkeling van de stad.

 

In Handelingen 27:28 gaat het over de schipbreuk van Paulus. Vijftien vadem diep, dat is ongeveer 27 meter. Shakespeare heeft het in The Tempest over vijf vadem.

 

Vijftien vadem is ritmisch beter. Geeft het wat meer verdieping. Ik weet wel dat het IJ diep is vanwege al die cruiseschepen. Ik heb het gedicht zes jaar geleden geschreven. Het is wat lastig om dat terug te halen.

 

Misschien juist wel interessant.

 

Ik heb aan de Amstel gewoond en die rivier komt op het IJ uit. Ik voelde me verbonden met het IJ. Ik heb het gedicht geschreven voor de nieuwjaarsreceptie van Cohen. Het is een enorme rel geworden, omdat toen een gedicht van Erik Jan Harmens werd verboden door de organisatie. Ik woonde toen net aan de Amstel. Ik kwam vanuit de Rivierenbuurt. Het moest nog mijn huis worden. Vandaar ‘dankbaar dak in spe’. Hoog. Je ziet ‘de totaalplaat’.

 

De vierde distichon lijkt me kenmerkend voor jou en je werk: rebels en ‘gehurkt tussen de bloemen’. Je hebt een harde kant, een macho-kant en een zachte kant.

Mooi van klank trouwens.

 

Ik doe heel veel met klank. De ober vraagt of het gesmaakt heeft en er zijn veel smaken in het park. Dat dubbele vind ik wel aardig.

 

De jij is een geliefde?

 

Ja.

 

‘dit schrijven perfecte flaneur’. Dat zegt iets over je dichterschap.

 

Ik probeer een flaneur te zijn , een waarnemer. Zo kijk ik naar mijn omgeving. Ik filter uit wat ik zie en hoor en lees van alles voor mijn poëzie.

 

Dan kom je terug op het zingen uit het begin op de pont. ‘mijn lippen rijstpapier’

 

Heel kwetsbaar ook. Ja, leuk om het zo terug te lezen.

 

Je houdt niet van komma’s?

 

…….

 

Je doet in elke bundel andere dingen.

 

Ik had laatst een gesprek met Ellen (Deckwitz) en zij zei dat mijn eerste bundel een stijlwaaier was. Tastzin en Dolhuis  zijn met een thema geschreven, met een intentie en emotie. Ik werk veel vanuit mijn onderbuik.

 

Met een andere poëtica ook.

 

Er zitten sleutelgedichten in. Je kunt uit familie gebiedt gedichten halen die je in Tastzin terugvindt en verder in Dolhuis. Dat noem ik sleutelgedichten. Als ik bijna aan het eind van een bundel ben, schrijf ik heel anders. Het past wel in de bundel, maar uit Tastzin  heb ik een gedicht meegenomen naar Dolhuis, een beetje herschreven. In de vierde bundel komen gedichten uit drie.

 

Toch is de derde bundel totaal anders dan de tweede.

 

Absoluut. Bij Dolhuis heb ik niet aan een poëtica gedacht. Ik moest die bundel maken. Dit moest ik melden. Tastzin  heb ik vanuit een persoonlijke crisis geschreven; een identiteitscrisis ten opzichte van mijn familie. Dat was in de eerste bundel al een thema, maar werd in de tweede uitgewerkt. Ik was afgebroken en moest mezelf weer in elkaar zetten. Wie ben ik? Waar liggen mijn roots? Ik heb een Indische en een joodse kant. Tastzin  gaat over een familietrauma dat zich ook in mij heeft gemanifesteerd. Oorlog houdt nooit op. Aan het eind is er een brief aan een oudtante van mij, Beatrice. Mijn opa is de enige die is teruggekomen uit Auschwitz. Mijn vader is van ’51, tweede generatie dus, maar die heeft geleden onder de oorlogsgeschiedenis. Mijn opa was een lieve, zachte man. Hij zei: ‘Ik ben al naar de hel geweest, de aarde nu is mijn hemel.’ Ik kwam in een crisis terecht, met een heel laag zelfbeeld. Ik heb de bundel in twee maanden geschreven. Daarna moest ik natuurlijk ordenen en schaven. Het moet één op één zijn, diep uit je ziel komen. Onverbloemd.

 

In de derde bundel neem je afscheid van de metaforiek. Je bent opgegroeid tijdens je studie met Lucebert.

 

En Kouwenaar!

 

Wat me nu opvalt is dat al in Vijftien vadem diep  heel gewone taal wordt gebruikt. ‘de stad een galmbak’ is wel een metafoor, maar heel herkenbaar; niet Lucebertiaans. 

 

Ik heb daar heel erg mee geworsteld en veel geleerd van het simpele taalgebruik van Kouwenaar, die ik enorm bewonder. Hij kleedt de taal uit, maar hij zet het zo neer, dat er een compleet andere dimensie ontstaat. De drift van Lucebert, de klank en het ritme, probeer ik te combineren met de helderheid van Kouwenaar.

Sirrka Turkka, een Finse dichter, is ook een inspiratiebron voor mij. Er zijn van haar vertalingen bij de Bezige Bij uitgekomen. Zij woont midden in een groot bos. Ik heb wel eens wat gestuurd, maar dat is nooit aangekomen denk ik. Het is een romantisch idee, dat die brief nog steeds rondzwerft. Ik heb een cyclus in Tastzin aan haar opgedragen. Zij combineert een Hans Christiaan Andersen-achtige  sprookjeswereld met een Kouwenaar-achtige helderheid. Fantastisch.

Ik heb een maand in New York mogen schrijven, in een schrijfkolonie, midden in de wildernis. Upstate New York, twee uur met de trein naar boven. Daar heb ik veel wandelingen gemaakt in de natuur. Ik heb Dolhuis daar afgeschreven. Overigens zit daar geen natuurbeleving in.

 

Over Dolhuis wordt geschreven door je uitgever: ‘Een bundel als een vuistslag, maar dan met een fluwelen handschoen.’ Vuistslag, accoord, maar fluwelen handschoen?

Ik vind woede en dat zit in al je werk.

 

De bundel is niet alleen maar woede; er is ook berusting. Er staan ook gedichten over verlies in. De vuistslag trek aandacht, maar met fluweel komt het wat zachter aan. Ik heb deze bundel niet gemaakt om mensen in elkaar te trimmen.

 

Er staat verder: apolitiek. Het is, denk ik, politiek als je het koningshuis aanpakt.

 

Wat ik niet heb willen doen is vanuit een koopmans-domineesgeest even de wereld vertellen hoe het moet. Ik heb geprobeerd de dingen die ik om heen gezien heb gedurende vier jaar te filteren en dan één op één weer te geven. Dit gebeurt. Ik kaart het aan en dat komt uit alle hoeken aanwaaien, uit linkse en rechtse. Het is niet politiek partijdig. Het is geen links pamflet, evenmin rechts of liberaal.

 

In het huidige literaire en poëtische klimaat is engagement een vies woord’?

Dat vroeg ik me af. Is dat nog zo?

 

Het gekke is dat het engagement het laatste aantal maanden of het laatste jaar steeds

meer terugkomt, maar het is toch lang ‘not done’ geweest. Er wordt nog wel lacherig over gedaan.

 

Dan praat je over tien jaar geleden of nog langer. Ik kan zo allerlei dichters noemen die geëngageerd schrijven: H. ter Balkt, Robert Anker, Anne Vegter, Astrid Lampe, Joost Zwagerman, Ramsey Nasr, Erik Jan Harmens, Tsead Bruinja, Willem Thies.

 

Engagement’ is een beladen woord. Ik probeer niet vanuit een persoonlijk politieke overtuiging te schrijven. De bundel eindigt met de opmerking: dichters, ga nou eens te rade bij je zelf of wat jij maakt voor jou menens is. Ga je tot het gaatje? Ben je één op één? Verbloem je dingen nog? Is je werk urgent of niet? Wat ben je eigenlijk aan het doen?

 

Maar daaraan moet toch alle goede poëzie in alle tijden voldoen?

 

Ja, maar het gebeurt te weinig. Naar mijn idee. Ik vind dat er te veel…

 

gebabbeld wordt.

 

Ja. En de de hele ‘laissez faire’ die nu heerst; laat duizend bloemen bloeien. Daarin verzuipen we. Er is geen kritiek meer mogelijk.

 

Dat is een beetje modieuze stelling. De tijd van de poëzie-scholen, Vijftig, Zestig, Zeventig is inderdaad voorbij. De Maximalen deden nog een poging, maar dat viel al snel uit elkaar. Er was weerstand tegen de zogenaamde hermetische of witte poëzie.

 

Het pamflet van Erik Jan: ‘de bijl er in’ doet een duidelijke oproep: poëzie moet schuren, moet pijn doen.

 

Alsof dat iets nieuws is na Paul van Ostaijen, Lucebert, Claus, Ter Balkt.

 

Het hoeft voor mij niet over woede te gaan. In hoeverre put je jezelf uit? Ga je tot de grens of er net over? Ik lees veel gedichten waarvan ik denk: ja, er zit nog een veel diepere laag onder. Ik lees die pijn wel, maar ik voel hem niet.

 

Misschien worden er te veel gedichten gepubliceerd. 

 

Nou goed. Ik ben in Dolhuis  naar mijn gevoel een grens overgegaan, waarbij je je heel ongemakkelijk voelt. Roeshoofd hemelt van Zwagerman is voor mij een heel belangrijke bundel. Underperformer  van Erik Jan Harmsen ook, in het overboord gooien van de mooi praterij en ga nu eens naar de kern, Waar wil je over schrijven? Doe geen concessies aan je eigen werk.

 

The New York to Pittsburgh and Back Dutch Poetry Tour – de reis van jou en Hélène Gelèns, Erik Jan Harmens, John Schoorl en Joost Zwagerman door de Verenigde Staten.

Heb jij de reis georganiseerd?

 

Het is mijn initiatief geweest, met de Stichting Kleine Revolutie Producties opgericht in Haarlem, waarmee Jessica Kroskinski en ik literaire evenementen en festivals organiseren. Zo organiseren wij o.a. ieder jaar Poëziefestival Elswout.

Het was mijn droom om met een club dichters een tour te maken in de Verenigde Staten.

We zijn twee weken van New York naar Pittsburgh en terug gegaan, opgetreden, lessen gegeven. Het consulaat betaalde een deel, LIRA en het Fonds voor de Letteren. We hebben alles zelf geregeld. Ik heb gezocht naar dichters die iets met Amerika hebben, die goed voor kunnen dragen. Niemand kent je daar, dus de eerste indruk is je voordracht. Als laatste heb ik gekeken naar met welke dichters ik goed door één deur zou kunnen gaan. Je zit immers twee weken op elkaars lip. Tenslotte: wat ik vond dat de Nederlandse poëzie te bieden heeft op dit moment. Je kunt dan 50 andere kiezen, maar goed, het is een persoonlijke keuze in overleg met het Fonds voor de Letteren.

 

=

 

Nr. 5.

Als ik naar mijn handen kijk besef ik
dat deze handen nooit iemand zullen redden

Ik bid vaak tot God en als er al antwoord komt
komt het krakend in Morsecode binnen
M-A-Y-D-A-Y! M-A-Y-D-A-Y!

Ik probeer uit alle macht het water aan de andere kant
van het bad te houden, maar als de joker tegen de dief zegt
dat hij de pleiterik gaat, volgt de dichter

Mijn collega zingt dat wie niet springt geen jood is
Volgens een andere collega moeten alle joden aan het gas
in een stadion, op zondag of een andere willekeurige
doordeweekse dag, waarop we spruitjes eten met slavinken en
mayonaise

Ik tel tot tien en als ik mijn ogen open
ben je nog steeds een hufter

=

De eerst strofe zet je aan het denken. 

 

Wie ben ik eigenlijk en wat beteken ik voor een ander? Waar sta ik? Wat zal ik doen als de nood aan de man komt. Ik heb een grote mond, maar maak ik die waar?

 

Ik moet denken aan de SS-er die aan een vrouw vraagt één van haar kinderen te redden.

Wat doet ze? Wat zou ik doen in zo’n situatie. Ik hoop dat ik zou zeggen: ‘Zoiets mag je niet vragen, hufter!’ Dan schiet hij me dood en mijn twee kinderen ook, maar dat is zijn keus, niet de mijne.

 

Hoe moedig ben je? Hoe moedig ben ik?

 

God weet het ook niet, is ook in nood. Het water aan de andere kant van het bad houden?

 

Ja, met je handen het water opduwen, maar dat lukt niet, het komt meteen terug.

De dichter smeert hem.

Wie niet springt, op en neer, in het stadion, is geen jood. Dat zingen ze in een stadion, net als de andere tekst.

 

Het standpunt van de dichter van dit gedicht is duidelijk: hij vindt dat het, zacht gezegd, fout is. 

 

Ik vind het apart, dat als ik hier de straat zou oprennen met die tekst, ik binnen no time op de grond zou liggen, maar blijkbaar wordt het getolereerd in een stadion. We tolereren hooligan-geweld. Wie is hier nou gek? Als ik er tussen sta, zou ik misschien wel mee doen.

 

Toch staat de dichter in dit gedicht met zijn spot, eventueel zelfspot, aan de goede kant. Het is een veilige keuze.

 

‘Als ik naar mijn handen kijk besef ik
dat deze handen nooit iemand zullen redden’

Sta ik aan de goede kant als ik alleen maar een gedicht schrijf? Wat doe je als je aan de goede kant staat. Is veroordelen genoeg? Men zegt: ‘Alsof die joden in Israël van die lekkere jongens zijn’. Dat soort retoriek krijg je nu. En heel begrijpelijk, maar dat neemt het feit niet weg dat we het over gevoelige dingen kunnen en moeten hebben.

Jij bent een dichter en dus schrijf je er een gedicht over. Is dat voldoende? Ja. Niet als je een politicus bent.

Ik bereik wel een publiek van jonge mensen en als ik dit voordraag is er meteen een discussie over. Wat ik graag zie gebeuren met de gedichten uit Dolhuis is, dat er weer gesproken wordt over dingen.

Dat is een discussie die toch al gaande is, in de kranten, op tv en radio.

Hoe algemeen wordt het gedragen? Ik vind het heel interessant om er met mijn vrienden over te spreken. Sommige mensen zijn heel erg voor de vrijheid van meningsuiting. Zij vinden dat het gezegd moet kunnen worden. Ik denk: wat behelst vrijheid van meningsuiting? Het verbod op godslastering, daar moeten we vanaf.

Je mag niet tolereren in een democratische, redelijk fatsoenlijke samenleving als mensen in de stadions dat soort dingen roepen.

Ik vind van niet, maar als je vanuit een liberaal oogpunt kijkt, is het misschien anders. Ik heb niet voor niets Spinoza als rode draad in mijn bundel: De Ethica, maar ook Theologisch-Politiek Tractaat , waarin hij over staat en gelooft uitweidt. Het lijkt een simpel gedichtje, maar het triggert toch de discussie.

Wat zou je eigenlijk moeten doen? Het stadion binnengaan en protesteren, maar dat doen we niet, want dat durven we niet.

Ik zou zeggen: je weet precies wie het zijn. Nooit meer een voetbalstadion in. Wat ik het mooist zou vinden: als Ajax zelf een keer de bal oppakt en het stadion uitwandelt als zo’n spreekkoor klinkt. Het gaat ook om apengeluiden. Het is allemaal walgelijk. Niet naar de centen luisteren en naar de uitzendrechten. Jongens, ik ben er klaar mee. Ik doe niet meer mee. Het is een kleine stap, maar dat werkt.

Ja, je moet zeggen: ik wil niet in dit systeem functioneren.

Zo wil ik mijn poëzie schrijven. Ik maak mijn eigen dingen en als het je niet bevalt, schiet me maar lek. Over het engagement nog dit: je moet niet te veel invullen. De luisteraar moet zelf zijn standpunt bepalen.

Roel Weerheijm liet zich in zijn kritiek te veel leiden door het omslag. ‘Machismo’ heet zijn  stuk.

Anti-machismo. Het is een grote fout die recensenten maken: afgaan op de foto. De dikke knipoog naar mezelf en naar de lezer wordt niet gezien. Ik heb bokshandschoenen aan, maar ik sta er ook wat verloren bij. Je moet gedrevenheid niet verwarren met arrogantie. Mijn tatoeages zijn mijn totem. Het is voor mij een fotoboek. Op belangrijke momenten in mijn leven laat ik een tatoeage zetten. Meestal zie je ze niet. Een nieuwe geliefde moet even wennen. Ze vond het heel mooi. Ze had nog nooit een vriendje gehad die tatoeages had. Ik vind het leuk om een beetje verwarring te scheppen. Ik moest ergens voordragen en ik zat op de eerste rij. Kwam een man op mij af en die zei: ‘U hoort hier niet.’ Goed, ik stond op en ging op de achterste rij zitten. Toen het begon, was de organisatie in paniek, want er ontbrak een dichter. Ze noemden mijn naam en ik liep naar voren. Ik heb het ook in een boekhandel gehad. Ik liep over de poëzieafdeling en de boekverkoper kwam op me af: ‘Meneer, kan ik u ergens mee helpen, want dit is poëzie.’ Ik zei: ‘Ik kom even kijken hoe het met mijn bundel staat.’ Ik word er niet boos van. Ik vind het leuk. Ik snap het wel. Zelf maak ik me ook schuldig aan discriminatie. Iedereen plaatst iedereen in een hokje.

Over Elisabeth Kübler-Rosse en de vijf fasen van rouwverwerking. Je hebt deze gebruikt als ordening. Aanvaarding? Zit dat in de bundel?

Aanvaarding, berusting. Er zit aanvaarding van de dood in. Dat het leven eindig is, vind ik een moeilijk thema. Ik herkende die fasen en heb de bundel toen zo geordend. Ik ben van 90 naar 35 gedichten gegaan en ik moest een ordeningsprincipe hebben. Ik was aan het hardlopen in New York en dacht: die vijf stadia van rouw! Nr 26 is een gedicht over de dood van een baby, een achternichtje van mij. Het eindigt zo: ‘Ik durfde niet te praten met de vrouw die haar kind / en de man die zijn dochter in de aarde had gelegd’

Ik krijg er nog steeds kippenvel van. Een mooie begraafplaats. Mensen van mijn leeftijd, iets ouder. Er waren wel duizend mensen. Het was heel intens. Iedereen was oprecht geëmotioneerd, op zijn manier. Het heeft maanden geduurd voor ik er over kon schrijven. Ik ben diep gegaan. Paste het wel in Dolhuis?

Ik denk van wel, omdat het krankzinnig lijkt dat een kind wordt geboren en zo jong moet sterven. En kijk eens wat je doet in de laatste strofe. Er is bijna woede over de onverschillige kosmos: ‘Ik weet niet of die dag de zon scheen / maar je wees me erop dat de sterren / zo mooi en kalm die nacht’.  En dan breekt het af.

Spinoza: God is natuur en natuur is God. De natuur is een bitch. Of het is een aanleiding tot berusting. Zo is het en allerlei particuliere gevoelens doen er niet toe. Het maakt niet uit. Natura naturata: we moeten ons als mens niet buiten de natuur plaatsen.

‘Ik viel uit mijn stem en brak voor je voeten’; dat doet me aan Kouwenaar denken.

Klopt. Ik laat me beïnvloeden door de dichters om me heen. De daadkracht van zijn taalgebruik staat me heel erg aan.

Volgens Weerheijm (schreeuwen) de meeste gedichten in deze bundel (…) de pretentie uit urgente dingen te zeggen over allerlei maatschappelijke misstanden’. Dat ben ik niet met hem eens: er is geen pretentie.

De wil om urgente dingen te zeggen, maar zonder het vingertje van dit mag niet, dat mag niet.

‘Nederland erkent de internationale rechten van de mens / Nederlandse politici wisten van de geheime martelvluchten / van de CIA’  Is dat niet eerder een tweet?

Een corrector zei: ‘Dat is toch algemeen bekend!’ Ja, dat is juist zo shocking. Dat er niets mee gebeurt. We durven naar China te vliegen om te zeggen dat ze daar iets aan de mensenrechten moeten doen, maar ondertussen heb je die doorvoer van die terroristen, die buiten Amerika helemaal gek gemarteld worden. Ik kan slecht tegen onrecht.

‘Volgens veel Nederlanders heeft de Kristallnacht / iets te maken met kerst.’ Dat is natuurlijk verschrikkelijk. Je hoeft het alleen maar te noteren.

Blijkbaar is het niet meer urgent om dat te vertellen als geschiedenisleraar of men zegt: ach, die oorlog is zo lang geleden… Dolhuis gaat over geestelijk failliet. Wie maakt zich nog druk over de vader van Maxima? Of over ons koningshuis? Niet dat ik zo’n hekel heb aan Beatrix, maar het instituut! Democratie en monarchie gaan niet samen. Een constitutionele monarchie is een fabel. Maar als je er over begint met mensen, halen ze hun schouders op.

Ik heb gehockeyed op een club in Bussum. Die is tussen ’38 en ’45 geleid door een NSB’er. De voorzitter is vervolgd, terechtgesteld, heeft zijn zonden bekend en hij is tenslotte gerehabiliteerd. Als ik met mijn familie op het veld stond en zijn kleindochter was aan het hockeyen, werd er gefluisterd: ‘Dat is die kleindochter van die NSB’er.’ Over Maxima mag ik niet zeuren. Zij kan er niks aan doen, maar ze heeft wel geprofiteerd van het geld en de stand. Als Hitler een dochter had gehad en die was getrouwd met Willem Alexander? Ja, dat is een ander verhaal. Hoezo anders?

In het gedicht heb ik het over de piloot en het watermanagement, maar dat is een grap. Het is met opzet een lelijk gedicht.

==

Nr1

 

Vorm aan je leven geven een cirkelredenering?

Een onbehouwen vuist, het tijdsgewricht?

De genatuurde natuur, insomnia

 

Er schampte zojuist een pijl mijn kin

Had ik vier poten, dan ging ik op een draf

 

Zwaaien gaat niet meer. Er hangen volle tassen

aan mijn strakgespannen armen. Er vliegen vogels op

 

de vlucht, het zoveelwekenplan voor elke afstand

Wanneer wordt dit gesmeed?

 

De tips, het schema, de rekensom

We tellen af. Het land in rep en roer

 

Ik verloor alle schaamte, ik verloor ieder antwoord

 

Ik kom handen tekort en geen angst zo groot als

dat je droomt dat we in slaap worden gesust

wat je tilt uit handen valt

 

=

Het belangrijkste gedicht van de bundel.

‘een cirkelredenering?’ want je komt altijd weer bij jezelf uit?

In je leven wordt alles herhaald. Er zijn patronen waar je in terecht raakt en waar je heel moeilijk uitkomt. Er moet echt iets gebeuren, wil je uit je patroon stappen. Je bent wie je bent, maar je kunt ook bedenken waar je nu mee bezig bent. Er kan iets gebeuren. Dat zijn de gebeurtenissen waarover ik het heb in de bundel, de gebeurtenissen die je wakker schudden. Ik heb er commentaar op, maar waar sta ik zelf? Wat kan ik er aan doen? De pijl. Ik word beschoten en ik weet niet waar het vandaan komt. Ik zou wel willen vluchten. ‘Er hangen volle tassen’; wat je filtert uit je omgeving en wat doet dat met jou. Massaconsumptie. Wat sjouw je allemaal mee aan tv-beelden, krantenartikelen, aan onlust. Het is een geestelijke crisis.

‘De tips, het schema, de rekensom’: Ik moest denken aan het werk waarmee je geld verdient op een bank.

Ik schrijf dreigingsanalyses over landen, gebieden en personen.

‘Ik verloor alle schaamte, ik verloor ieder antwoord’:  je staat naakt, je weet het niet meer.

Een gevoel van onmacht over de poitiek maatschappelijke situatie en over mijn eigen poëzie en die van anderen. Daar sta je dan: zwaar gestresst, met gespannen armen, met die bagage en wat doe je er mee? Dit is als het ware de index van de bundel.

Er staan ook gedichten in waarvan ik denk: dat is een mooie tweet.

Een tweet? Die schrijf ik niet.

‘Volgens zijn dokter was hij allergisch voor de echte wereld / en kon hij doodgaan als hij daarin zou moeten leven’

Dit gaat over een bankier die zijn zuurverdiende bonus niet wil inleveren. Treffend. Is het poëzie? Het is zeker veelzeggend. Youp van ‘t Hek.

Als een bankier zegt, tijdens de crisis: ‘ik heb niks fout gedaan’ , raak je precies de kern van het probleem. ‘stervende negertjes vindt hij vies’

De nieuwe bundel is weer heel anders? 

Ik heb wel bedacht wat ik wil, maar het kan over een half jaar anders zijn. Ik merk dat ik heel graag in een thema wil schrijven. Ik heb een werktitel: ‘Ontsla me van alles wat ik lief heb’. Het gaat over de periode, waarin ik een dierbare heb verloren, ik ben gescheiden en twee keer verhuisd en had problemen op mijn werk. Ik heb een nieuwe liefde gevonden. Er is in die periode zo ontzettend veel gebeurd, dat ik goed naar mezelf moet kijken wie ik ben en waar ik sta. Daar ben ik nu mee bezig; verwerking van afscheid. Je verlies nemen, opkrabbelen en verder gaan in het leven. Een afdelingstitel zou kunnen zijn: ‘Berichten uit de oude wereld’. Als je voorwaarts wil, word je geconfronteerd met je verleden, je angsten, je onzekerheden. Het wordt vrij kort van taal. Het gaat misschien verder waar Tastzin is geëindigd. Nog korter, elliptisch taalgebruik. Niet meer de krantentaal. Het gaat misschien meer richting Kouwenaar. Ik wil de taal uitkleden, dan komt het veel meer bij de emotie, bij de onderbuik. De lange gedichten in Dolhuis zijn anders, die moesten er uit. Dit wordt meer bezonken. Ik heb veel geaccepteerd en vanuit die rust kan ik nu schrijven. Ik heb dertig gedichten, maar ja, ik moet drie jaar wachten. Dat is ook wel goed, dan kan het bezinken. Het kan zelfs langer duren, dit project, omdat er nog heel veel achteraan komt.

===============

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Over remcoekkers

schrijver, dichter, interviewer, recensent
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s